Hollands versus Vlaams

22 november 2016
Bavo Claes
Een nieuwe dag, een nieuw middagjournaal. De hele week komt dat van schrijver en voormalig VRT-journalist Bavo Claes.
Hollands versus Vlaams

Toen ik het onlangs in dit Middagjournaal over belgicismen in boeken had, en me sterk maakte dat de Nederlandse lezer daar geen kaas van gegeten heeft, schreef een luisteraar dat er soms ook in omgekeerde richting een probleem rijst en hij heeft gelijk. Als in een Chinese roman, die vertaald is door een Nederlander, een volksvrouw bij de slager komt, dan praten die twee, al zijn ze geboren en getogen in Peking, gegarandeerd Amsterdams.

Welnu, dat is... raar. Ik las recent een Israëlische roman, speelde zich in Israël af, maar ik dacht de hele tijd dat ik me niet bij die ene Jordaan bevond, maar in die andere Jordaan. Een oud zeer.

En die hele Vlaams-Hollandse kwestie is natuurlijk een afgekloven been, maar laat ik dit nog zeggen. Ja, het is vermoeiend aan de periferie van een taalgebied te wonen en niet tot de spraakmakende gemeente te behoren. Toen ik op de VRT begon, mochten we 'café-uitbater' niet gebruiken. Het moest '-exploitant' zijn; naderhand mocht '-uitbater' ineens tóch, omdat de Hollanders het nu ook zeiden.

Er zijn meer zulke voorbeelden. In mijn roman Kraai luistert de vader, met z'n oor tegen de radio gedrukt, naar het taalpraatje en dan zegt hij: “Heb je dat gehoord? Friet is goed tegenwoordig, als je er maar niet patat vóór zegt. Ik heb al zijn leven geleerd dat het gebakken aardappelreepjes moest zijn.” Leuk verzinsel van de schrijver denkt u, die reepjes? Nee, hoor: het staat in de Nederlandsche Taalgids van Constant Peeters, uitgeverij De Sikkel, Antwerpen, 1934. Kloek boekwerk, 't ligt hier voor me.

Er is te veel geschoolmeesterd over de Vlamingen, da's een feit. En dus kon de reactie niet uitblijven. In deze tijden dat geen mens nog geneigd is zich te laten gezeggen, en het eigen gelijk chronisch wordt gecelebreerd met een tweet, lijken de Vlamingen nu in koor te roepen: “Goed Nederlands is wat ík door mijn strot krijg.”

Dat is ooit gezegd door de Nederlandse hoogleraar Hugo Brandt Corstius, een Mozart van de taal. Misschien had hij toch iets meer recht van spreken, denk ik dan met mijn boerenverstand. Maar wetenschapslui affirmeren uitdrukkelijk dat elke Vlaming die niet doofstom is, precies evenveel recht van spreken heeft. En voor de wetenschap buig ik, uiteraard, het hoofd.

Al speelt door dat hoofd ook weleens dit citaat uit de Dikke Van Dale: “Wetenschap bedrijven is een visie op tafel leggen, met het risico dat die onjuist blijkt te zijn.”