"10 procent van het Vlaamse landschap bestaat uit tuinen, dus je zou als vogel gek zijn om ze links te laten liggen"

31 januari 2021
Dirk Draulans is bioloog en journalist voor Knack. Hij schreef een column n.a.v. het Weekend van de Tuinvogeltelling van Natuurpunt. Over de vraag hoe het komt dat er alsmaar minder vogels geteld worden. En over de vraag of de tuinvogels zelf iets hebben aan al ons getel.

Tuinvogeltelling. Ik vind het zo’n mooi woord. Tuin-vo-gel-telling. Het klinkt veel beter dan wat Natuurpunt ‘Het Grote Vogelweekend’ noemt. Dat lijkt een uitgesponnen versie van Samsonseks, terwijl het om een eerbaar initiatief gaat: in het grote vogelweekend wordt aan mensen gevraagd om een kwartiertje vogels te tellen in hun tuin.

Dat is minder onnozel dan het lijkt, want als je het jaren volhoudt kunnen wetenschappers er trends in de bestanden van onze algemeenste vogels uit afleiden. Zo vind je de problemen die onze merels met hùn virus – het usutuvirus – hadden, terug in de resultaten: het aantal tuinen met merels nam af.

Zo’n 10 procent van het Vlaamse landschap bestaat uit tuinen, dus je zou als vogel gek zijn om ze links te laten liggen.

De merel is van oorsprong een schuwe bosvogel die een eeuw geleden de steeds populairder wordende mensentuin begon te koloniseren. Ook de houtduif komt uit het bos – voor sommigen is hij nog altijd een bosduif. Vandaag zijn boomklever en bonte specht bosvogels die zich een nieuw tuinjasje aanmeten. Zo’n 10 procent van het Vlaamse landschap bestaat uit tuinen, dus je zou als vogel gek zijn om ze links te laten liggen. 

Nog een bosvogel die zich out als tuinvogel, is de ekster, door velen verguisd, want zijn aanwezigheid zou ten koste gaan van andere vogels. Van de vele vragen en opmerkingen die ik over de natuur krijg, is ‘sinds er eksters in mijn tuin zitten zie ik geen klein vogeltjes meer’ veruit de algemeenste.

Met wat slechte wil zou je er bevestiging van kunnen vinden in de resultaten van de tuinvogeltellingen, want het gemiddeld aantal getelde vogels per tuin is de jongste tien jaar bijna gehalveerd, van 44 naar 24. Helaas voor de vele eksterhaters onder ons, waar ik niet bij hoor, want ik ben fan van de ekster, zeggen wetenschappers dat er GEEN verband is tussen het bestand van de ekster en dat van tuinvogels.

Volgens de biologische wetmatigheden is dat ook niet te verwachten. Die zeggen dat het bestand van rovers bepaald wordt door dat van hun prooien, en niet omgekeerd. Er zijn veel vossen als er veel ganzen zijn, niet weinig ganzen omdat er veel vossen zijn. Eksters zullen wel eens een vogelnest roven, en mogelijk zijn kleine vogeltjes voorzichtiger als er eksters in de buurt zijn, waardoor je ze minder gemakkelijk ziet, maar het bestand van tuinvogels wordt dus NIET significant beïnvloed door dat van eksters, tot spijt van wie het anders zag.

In echte winters komen meer vogeltjes in tuinen terecht, omdat ze er gemakkelijker eten vinden, zeker als er gevoederd wordt.

Dat er minder tuinvogels geteld worden, heeft een prozaïscher verklaring dan de vermaledijde ekster: er zijn geen winters meer! In echte winters komen meer vogeltjes in tuinen terecht, omdat ze er gemakkelijker eten vinden, zeker als er gevoederd wordt.

Wat me naadloos bij een prangende vraag brengt: hebben tuinvogels zelf iets aan ons getel? Het antwoord is waarschijnlijk ja. Mijn vriend vlinderbioloog Hans Van Dyck maakte me attent op een studie die aantoonde dat mensen die tuinvlinders tellen, hun tuinen vlindervriendelijker inrichten, met meer bloemen. Mogelijk gaan tuinvogeltellers hun tuin vogelvriendelijker bejegenen, met natuurlijke heggen, vetbollen, drinkbakjes en vogelkastjes. Zo zie je her en der nestkasten voor spreeuwen en mussen tegen huizen opduiken, twee soorten die het moeilijk hebben, waardoor ze meer broedplaatsen krijgen en het dus mogelijk beter gaan doen.

Mogelijk gaan tuinvogeltellers hun tuin vogelvriendelijker bejegenen.

Toch zou het me niet verbazen mocht de huismus dit jaar doorstoten naar de eerste plaats van de tuinvogeltelling. Ik hoor ze momenteel kwetteren en kwebbelen bij mijn lief, bij mijn moeder en bij mij thuis. Dat is de tuinvogelvariant van het ‘in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen’ uit de catechismus. De huisMUS en de catechisMUS waren beide vaste waarden in mijn jonge jaren.

Beluister de column van Dirk Draulans in ‘De toestand is hopeloos, maar niet ernstig’:

Ontdek ook de andere columns uit de uitzending: