"Alles komt goed, ik blijf het zeggen tot jullie het geloven"

24 mei 2020
Voor Bieke Purnelle zijn haar kinderen de helden van de week. "Jullie hebben niet geklaagd. Niet over het opschorten van de voetbaltraining en de breakdancelessen, niet over de afgesloten speeltuinen, niet over de wachtrijen voor de bakker en de supermarkt, niet over het ontbreken van speelmaatjes."

Lieve kinderen,

Jullie vinden het vast gek dat ik jullie een brief schrijf, nu we al meer dan twee maanden elke dag samen zijn, tot elkaar veroordeeld voor onbepaalde duur.

Het waren vreemde tijden. We leerden nutteloze dingen, omdat het kon. Zoals de namen van Ijslandse vulkanen uitspreken of een meikever evacueren. Wij vergaten dat het week-end was, of paasvakantie, omdat alle dagen op elkaar leken.
Ik stuurde jullie naar de winkel, op zoek naar gist of aardappelen, die plots zeldzaam waren. Jullie kwamen terug met felgekleurde snoep die niet op het lijstje stond.
Ik viel door de mand toen ik jullie staartdelingen wilde biibrengen, een vaardigheid die jullie overbodig vonden.
We verfden jullie kamer vrolijk geel. Jullie kropen bij mij in bed, want de kamer stonk naar verf. Soms waren we alle drie boos, op alles, maar toch vooral op dat idiote virus.

Jullie hebben niet geklaagd. Niet over het opschorten van de voetbaltraining en de breakdancelessen, niet over de afgesloten speeltuinen, niet over de wachtrijen voor de bakker en de supermarkt, niet over het ontbreken van speelmaatjes.
Jullie handen voelden aan als schuurpapier met de allergrofste korrel, van al dat plichtsbewuste wassen.

Wel honderd keer stormden jullie onuitgenodigd mijn werkkamer binnen, waar ik een poging deed om me ergens op te concentreren.
Werkflow viel lastig te combineren met jullie prangende vragen van uiteenlopende strekking, over vermenigvuldigen, een lege sokkenlade, de voorraadkast of wat de pot schafte, dringend genoeg om er digitale meetings en telefoongesprekken voor te onderbreken.
Toen de tuincentra opengingen overwoog ik even om jullie samen naar een tuincentrum te sturen om daar ostentatief te gaan rondhangen, urenlang, tot iemand jullie zou buitenzetten.

“Dat het een ellendig kakjaar was”, lieten jullie me weten. Alsof ik dat zelf niet wist. “Dat we mogen werken, studeren en shoppen, en verder niks”, stelden jullie vast. Ik zuchtte en zei niet wat ik dacht: dat er kinderen zijn die amper iets te eten hebben. Dat wisten jullie namelijk al en het maakte jullie boos.

Als ik vraag hoe het met jullie gaat, trekken jullie je schouders op. Ik denk dat ik begrijp wat dat betekent, maar zeker weet ik het niet. Dus knuffelen we elkaar, omdat dat altijd een goed antwoord is, zelfs op onuitgesproken vragen. Ik weet dat jullie zich zorgen maken over te veel dingen. Ik zou een halve dag aanschuiven met drie mondmaskers op en een slordig ontsmette winkelkar voor een voorraadje onbezorgdheid, voor een minidosis perspectief op beter en blijer, op een onbevangen zomertijd. Maar die zijn niet te koop. Dus zeg ik elke dag dat alles goed komt, want dat is wat moeders doen. Alles komt goed. Ik blijf het gewoon zeggen tot jullie het geloven, tot ik het zelf geloof.

Lees ook:

Radio 1 Select