“Als een mini-generaal verbood ik in één adem de rest van de familie mijn ouders nog op te zoeken, tot nader order”

28 februari 2021
© James Arthur Gekiere (Belga)
Erika Vlieghe is diensthoofd infectieziekten UZ antwerpen en professor aan de UAntwerpen. Vorig jaar, 18 maart, ging ons land in lockdown. Waar was zij in februari 2020 mee bezig? Maakte ze gewoon nog plannen voor de zomer? Had ze toen ook maar een klein vermoeden van wat er ons te wachten stond?

Of ik een column kon schrijven. Over vorig jaar, deze tijd. Waar je mee bezig was. Hoe gewoon het leven nog was. Wat de plannen waren, eind februari 2020…?

Tja… het leven was eigenlijk al 8 weken niet meer helemaal gewoon. Januari was al druk begonnen met een (jawel, één) patiënte met Argentijnse hemorragische koorts.

Toen we eindelijk alle contacten van mevrouw geklasseerd en opgevolgd hadden, verschoof half januari het onderwerp van de vergaderingen van Buenos Aires naar Wuhan. We keken dagelijks met groeiende fascinatie naar de Aziatische landkaarten met rode cirkels die het steeds uitdijend aantal gevallen voorstelde, als uitzaaiingen van een gezwel.

Toch was het besef bij ons in die eerste weken ook maar half.

We lazen met open mond de verhalen van de Diamond Princess, waar het virus zich als een lopende vuurtje verspreidde onder de bejaarde reizigers. Ik pendelde vanaf half januari steeds vaker tussen Edegem en Brussel, voor eindeloze vergaderingen van de Risk Management Group, waar we wat aarzelend futuristische ideeën over mobiele testcentra en sluiten van grenzen opperden. En de maskers, natuurlijk. Maar dat is een ander verhaal …

Toch was het besef bij ons in die eerste weken ook maar half; het leek nauwelijks te geloven dat dit ‘the big one’ zou worden. We waren al zo vaak de dans ontsprongen in Europa, met Sars1 en MERS. Zelfs ebola was binnen de perken gebleven voor België.

Ik miste wel door die eerste date met Kathleen helaas een steengoed optreden van Brigitte Kaandorp.

Op 13 februari maakte ik voor het eerst mijn opwachting in 'Terzake' bij Kathleen Cools – die me streng vroeg of China het wel goed aanpakte, met zo’n gigantische lockdown. Ik antwoordde oprecht maar ook een tikje strategisch dat je bij een epidemie als land misschien nooit echt ‘goede punten krijgt, alleen ‘slechte’ of ‘heel slechte’. Ik miste wel door die eerste date met Kathleen helaas een steengoed optreden van Brigitte Kaandorp, met mijn zus en moeder. Daar heb ik nog steeds spijt van.

Want de vrije tijd werd steeds schaarser, er begon een soort nervositeit in de dagen te komen. Op de donderdagse repetities van de harmonie werd ik steeds vaker weggebeld met vragen over ‘wie te testen’ – onze testcapaciteit zat toen in de tientallen, en niet in de tienduizenden zoals nu. Op 15 februari vloog ik naar Rome om les te geven in onze Europese cursus infectieziekten. De lentezon was er genadig, even leek er weer niets aan de hand.

We discussieerden uren over wie te testen, en welke maskers te gebruiken.

Terug in Brussel werden de vergaderingen bitser. We discussieerden uren over wie te testen, en welke maskers te gebruiken. Ik maakte me steeds meer zorgen over de ziekenhuiscapaciteit, en al wat daarbij hoorde, zoals maskers. Ik had al wat berekeningen gemaakt … ‘we hebben minimaal 5 miljoen maskers nodig, mannen!’.

Op 21 februari had ik toch een informeel overleg met de gezondheidsinspecteur - we deelden dezelfde bezorgdheden, en overwogen om eens met de gouverneur te bellen, maar kregen allebei op onze kop van hogerop omdat we zonder officieel mandaat met elkaar gesproken hadden. Als ik één ding geleerd heb in deze crisis, dan wel dat vele ad-hoc-initiatieven zonder mandaat, misschien wel de beste gamechangers zijn geweest om die ongekende crisis het hoofd te bieden.

Skiërs kwamen terug en vroegen steeds vaker naar een test.

En toen kwam alles in een stroomversnelling, in die laatste week van februari. Skiërs kwamen terug en vroegen steeds vaker naar een test. Mijn collega’s hadden een test-unit georganiseerd, die bijna omver werd gelopen door de massale vraag. Op 29 februari, de dag voor mijn vriends verjaardag, zouden we wat kokerellen. Dat was buiten patiënt Eén gerekend. Ik kwam om 3 u in de ochtend thuis, samen met de meer jeugdige huisgenoten die waren uitgeweest.

Terug thuis kon ik nog net mijn vader verhinderen om naar Firenze met zijn oud-studenten te vertrekken. Het voelde hard, hem zoiets waardevols af te nemen, maar ik kon de gedachte niet verdragen hem domweg aan dat nieuwe, gevaarlijke virus te moeten verliezen. Als een mini-generaal verbood ik in één adem de rest van de familie mijn ouders nog op te zoeken, tot nader order. Wist ik veel hoelang dat zou duren.

’s Avonds meldde Marc Van Ranst me niet één, maar 5 nieuwe gevallen. Het hek was van de dam.

Op maandag 2 maart belde ik Pedro Facon over de ziekenhuizen – nog zo’n wilde actie zonder mandaat, maar waar een innige samenwerking en fijne vriendschap uit voortvloeide. De volgende dag stichtten we het hospitaal surge comittee – een boot waarin we samen weken op de woeste baren leken te varen. ’s Avonds meldde Marc Van Ranst me niet één, maar 5 nieuwe gevallen. Het hek was van de dam. Ik zei tegen mijn vriend: ‘Er komt een wervelwind op ons af. Ik weet niet hoe erg het gaat zijn, maar ben bang. Ik heb geen idee hoe dit zal gaan.’

Drie dagen later begon de halve, en nog drie dagen later de volledige lockdown. Voor sommigen een vakantie van weken, voor mij (en vele anderen) een lange tijd van nooit meer gerust zijn, jezelf dwingen om vooruit te denken in ondenkbare scenario’s, en intussen allen rondom jou proberen gerust te stellen.

Hou vol, alles komt goed. Tutto andra bene!

Beluister de column Erika Vlieghe voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' via Radio 1 Select.

Ontdek ook de andere columns uit de uitzending: