"Als je de muren weghaalt, zouden ze daar staan zoals duikers vlak voor hun sprong"

19 april 2020
Archieffoto ©RADIO1
Lize Spit, schrijfster van de bestseller 'Het Smelt', en haar lief Rob Van Essen, ook schrijver, brengen de lockdown door in haar huis in Brussel. Elke avond om 20 uur, weerklinkt ook daar applaus. In 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' vertelt ze over haar lief, haar straat en het applaus. En of ze daar nu wel of niet aan zouden meedoen.

Elke avond om zeven uur speel ik met mijn vriend Rob twee potjes rummikub. Het is de ideale afronding van een dag voor twee schrijvers die samen in dezelfde ruimte hebben zitten lezen en werken aan columns en romans. Wie stil is, zou het kunnen horen, hoe onze talige denkmechaniek puffend tot stilstand komt en onze wiskundige mechaniek zich krakend in beweging zet, zodra we veertien cijfers uit het bruine washandje vissen dat als speelzakje dient en deze rangschikken op ons plankje.

Al meer dan twintig dagen lang, halfweg ons tweede spelletje, wanneer de keukenklok die achterloopt 19u57 aangeeft, klinkt buiten het handengeklap.

De eerste paar dagen applaudisseerden we niet mee. We hadden het filmpje gezien dat op sociale media gretig gedeeld werd, van een buurt in Italië waar een ontroerende saamhorigheid was ontstaan nadat mensen spontaan Bella Ciao waren beginnen zingen op hun balkons, maar meteen daarna hadden we ook alle andere filmpjes zien verschijnen, van Europese straten waar de Italiaanse samenhorigheid geïmiteerd werd, mensen in het nog niet echt getroffen Amsterdam die met camera in de aanslag ‘Aan de Amsterdamse grachten’ uit hun raam kweelden, of ‘Let it Be’, in de hoop dat het een filmpje zou opleveren dat op sociale media aandacht zou genereren. Er droop zoveel kitsch van al die imitaties af, dat het saamhorigheidsgevoel erin verzoop.

Uit vrees voor dat soort kitsch, klapten wij een paar dagen niet mee. We zouden in stilte ontzag hebben voor alle helden daarbuiten. Omstreeks acht uur zat ik schuifelend op mijn stoel, over mijn rummikubblokjes gebogen, terwijl in de verte het geklap weerklonk. Het ongemak dat ik ervoer, was hetzelfde als wanneer ik op feestjes met geblokkeerde ledematen van aan de zijlijn toekijk hoe anderen dansen, met een verlangen erbij te horen, maar met een nog grotere vrees mezelf belachelijk te maken.

Uiteindelijk gingen we toch eens spieken, door een hoekje van het gordijn, hoe dat klappen eruitzag. Er was niet zo heel veel kitsch aan, het waren gewoon mensen die klapten.

De eerste keer dat we mee deden, applaudisseerde ik nog een beetje afwachtend, met lichte gene, alsof er iemand zou opduiken die me weer zou wegsturen omdat ik het niet juist deed, of omdat ik te laat was en er nu niet meer bij mocht. Maar dat gebeurde niet. Ik was verbaasd hoe makkelijk mijn handen op elkaar gingen. Iemand schudde met een tamboerijn, een andere buur rinkelde met een koebel en een kind sloeg met een pollepel op een kookpot. Het geluid kwam van alle kanten en net zoals bij vogelgetjirp in een boom, was het niet thuis te brengen waar al die buren zich precies bevonden. Onze handen klonken het luidst, omdat Rob en ik dicht bij elkaar stonden en onze klapgeluiden echoden in het raamkozijn.

Ik had al een tijdje niet meer geapplaudisseerd. Het was van midden februari geleden, bij de voorstelling van Saint Amour in de KVS. Plots miste ik het theater, het weggedoken zitten in zo’n klein gestoffeerd stoeltje, tussen hoestende en proestende mensen.

Het klappen was veel te snel gedaan, we waren er nog maar net ingekomen.
‘Morgen weer,’ zei Rob. Hij had tranen in zijn ogen.
‘We klapten niet voor de zorg maar voor elkaar en onszelf, om te laten zien dat we er nog waren, om ons luidruchtig te manifesteren als sociale wezens met behoefte aan contact,’ zou hij later in zijn column schrijven.
De eerste dagen vond het geklap plaats na zonsondergang. Donkere silhouetten tekenden zich af tegen sfeervol verlichte interieurs. Maar toen werd het lente, en werkte de zon nog een uur langer mee. Eindelijk kon ik iedereen zien. Er stonden veel meer mensen in ramen dan ik aanvankelijk dacht.

In het zolderraam aan de overkant van onze straat nam ik voor het eerst een ouder koppel waar, alsof ze daar al jaren stiekem opgeborgen leefden. Ik begon elke avond op ze te letten.
Ze staan samengedrongen, hun gezichten komen met moeite boven het dakraam uit, ze spreiden hun uitgestrekte armen door het opengeklapte venster naar voren zodat die nog net vanop straat zichtbaar zijn. Hij staat links, zij rechts, het vel onder hun bovenarmen bengelt heen en weer boven de dakpannen.
Als je de muren weghaalt, zouden ze daar staan zoals duikers vlak voor hun sprong.

Lize Spit

Beluister de column van Lize Spit:

Lees ook:

Radio 1 Select