"Als mensen zeggen hoe fantastisch zijn gedichten zijn, wil ik soms zeggen: niet al die gedichten zijn even goed hoor"

21 juni 2020
Kristien Hemmerechts is gevierd auteur en weduwe van de grote dichter Herman de Coninck. Langs de zijlijn keek ze toe hoe de standbeelden van Leopold II worden aangevallen en bedenkt dat ook wijlen haar echtgenoot nog vaak op een voetstuk wordt geplaatst. Terecht?

Ik ben niet goed in dwepen. Dat besef borrelde bij me op naar aanleiding van Leopold II en hoe die nu van zijn voetstuk aan het vallen is. Hadden ze hem er dan maar nooit op gezet, dacht ik kregelig. Meteen was daar het besef dat dichter Herman de Coninck – wiens weduwe ik nog altijd ben, ook al ben ik intussen met iemand anders getrouwd – een beeld heeft gekregen. Zijn kinderen wilden het graag, zeg ik in antwoord op de vraag waarom ik er toestemming voor heb gegeven. Dat was ook zo, maar misschien had ik voor meer tegengas moeten zorgen. Zou Herman zelf een beeld hebben gewild? Ook dat wordt me vaak gevraagd. Geen idee, zeg ik dan, ik heb geen spiritiste geraadpleegd om het hem te vragen.

Herman zelf kon best wel dwepen, met sporters, dichters, dirigenten, pianisten, zangers. En er wordt ook weleens met hem gedweept. Wanneer mensen me lyrisch onderhouden over hoe fan-tas-tisch zijn gedichten wel zijn, heb ik zin om te zeggen: niet al die gedichten zijn even goed, hoor. En als ze me zeggen hoe ongelooflijk lief hij was, moet ik me beheersen om niet te reageren met: hij kon ook best chagrijnig zijn.

Kritisch jonk, zo noemde mijn vader me, met een knallende k achteraan ‘jonk’. En ook wel: cynisch jonk. Zelf hou ik het liever bij ‘nuchter’.

Ook mijn vader had een groot vermogen tot beate bewondering en ontzag. Hij en mijn moeder verdeelden de te bewonderen mensen onder elkaar. Mijn moeder nam de Griekse en Romeinse oudheid voor haar rekening, mijn vader concentreerde zich op de componisten van klassieke muziek. Ook mensen in de politiek, mensen die om welke reden dan ook op de televisie verschenen konden op hun bewondering rekenen. Niet allemaal, uiteraard, ze waren selectief. De uitverkorenen werden druk besproken, een beetje alsof we hen kenden, maar toch ook weer niet, want ze waren verre, onbereikbare sterren.

Misschien is daar die tegendraadsheid van mij ontstaan, de reflex om te denken: hij of zij is ook maar een mens. Wat voor die persoon zelf uiteindelijk ook bevrijdend is: hè, hè, ik hoef geen genie te zijn.

Het doet me denken aan een gedicht van Herman de Coninck, niet over mij, maar over Lieve, de mama van zijn dochter Laura. Het heet Vijfjarenplan en begint zo: ‘Ik hou van jou. Hou jij van wat niet kan. Hou jij van je capaciteiten, ik van je gebreken. Jij van je trots, en ik van hoe die zacht kan breken in mijn armen. Jij van je moed. Ik van je zwakte nu en dan.’

Hij geeft haar met andere woorden de toestemming om niet volmaakt te zijn, om gebreken te hebben, en kleine kantjes. Ze hoeft die voor hem niet weg te stoppen, ze hoeft zich niet beter voor te doen dan ze is. Misschien is dat het grootste cadeau dat je iemand kunt geven. Ik laat het aan u om te beslissen of Herman daar zijn standbeeld voor heeft verdiend.

Beluister de column van Kristien Hemmerechts voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig':

Lees ook:

Radio 1 Select