"Beste luisteraar, hoe staat u tegenover de dood?"

14 juni 2018
Bavo Claes denkt wel eens na over de dood. Zijn grootouders heeft hij nooit gekend, op één na. Dus hoopt Bavo dat hij lang genoeg om het lief van zijn kleindochter op zijn minst te kunnen zien.

Beste luisteraar, hoe staat u tegenover de dood? Het wordt elke week aan een schrijver gevraagd in de boekenbijlage van De Standaard. Wel, laat ik de vraag op de radio beantwoorden, dat bespaart papier. Toen ik geboren werd, waren mijn grootouders al in den Heer ontslapen, op een na, en die stierf toen ik twee was. Het begrip oma en opa heb ik dus niet bepaald met de flessenmelk meegekregen. Mijn masterplan is dan ook om zelf niet dood te gaan voor mijn kleindochters (ze zijn met z'n drieën intussen) met hun eerste vrijer thuiskomen. Een plan tegen beter weten in, want onze oudste kleindochter is pas drie. En zelf heb ik ondertussen al twee van mijn zussen en vier van mijn schoonbroers verloren aan die gast met zijn zeis.

Toen we vorig jaar een nieuwe auto kochten, moesten we ook een verse nummerplaat, en om dat nummer te onthouden bedacht mijn vrouw een geheugensteuntje. De letters sla ik even over, de cijfers achteraan zijn: 2 1 0. Simpel, zei mijn vrouw: eerst zitten we met z'n tweeën in die auto, daarna nog iemand in z'n eentje, en daarna niemand meer. Toegegeven, dat blijft hangen.

Hoewel. Zullen we het ons nog herinneren als meneer Alzheimer eenmaal met zijn hamer op ons hoofd begint te slaan? Eerst met zo'n hamer van schuimrubber waarmee clowns elkaar de hersens intimmeren, gaandeweg met gereedschap van harder materiaal. Ik heb begrepen dat Hugo Claus zijn euthanasie bij de arts bepleitte met het argument dat een schrijver die zijn woorden verliest, ondraaglijk lijdt. Ik betrap er mezelf op dat ik in gedachten zit te oefenen voor dat aanstaande gesprek, en dat ik de arts dan zeg, 'ik heb meer recht op een zachte dood dan Claus, want die kon nog altijd schilderen, dokter.'

Ik heb het beste voor het laatst bewaard. Als ik dertig jaar dood ben, stuit een dynamische Nederlandse uitgeverij, de Lebowski van dat moment, op een vergeeld exemplaar van mijn roman Vijftig. De uitgever leest hem in één ruk uit onder het prevelen van de woorden: Potjandorie, hoe is het godsmogelijk dat zo'n prachtige, gelaagde en hartroerende tekst in de vergetelheid is gesukkeld... Waarna het heruitgegeven boek aan een tweede leven begint. Wishful thinking? Ja, maar het hiernamaals is ook wishful thinking. En die heruitgave lijkt mij nog altijd iets waarschijnlijker dan dat er een hemel met gouden (of voor mijn part plastieken) lepeltjes bestaat. Laat me nu toch even in de waan.