Bloedroes

17 februari 2017
In de kelder van het ouderlijk huis hing aan een haakje een dode haas. Pootjes omhoog, kop naar beneden, zonder pels en zonder ingewanden. Hij hing daar een paar dagen te besterven, mals te worden tegen het kerstdiner.

Uit de hazenmond druppelde zachtjes hazenbloed dat werd opgevangen in een wit schaaltje. Onder het schaaltje een stuk krant om de bloedspatten binnen welvoeglijke perken te houden, schrijft Jan Verplaetse.

Zijn boek - Bloedroes - gaat over wat bloed met een mens doet. In de eerste plaats met hemzelf: hij herinnert zich de drang die hij toen in die kelder voelde. De aanvechting om zijn vinger in het schaaltje te stoppen, om het bloed te voelen, te ruiken en te proeven. Hij wilde met rode vingers tekenen op de gekalkte keldermuren, het was een vreemde opwinding die zich van hem meester maakte.

Hij voelde bloedroes.

Jan Verplaetse schrijft over de bloedwalm die soldaten over het slagveld zien drijven, over Mozes die stieren liet slachten en het bloed liet uitgieten over de Israelieten, over Scythen, Thraciers, Galliers en Lombarden, die - volgens de Romeinen - het bloed van hun gedode vijanden dronken, over offerpriesters die kinderen doodden, over opgehitste menigten die militairen lynchten, over het bloed in slachthuizen dat de slachters agressief maakt, over jagers en hun honden en hoe die beesten zich aan het eind van de jacht op één stuk wild mogen storten zodat ze gretig blijven voor de volgende jacht, enzovoort enzoverder.

En vermits Jan Verplaetse ook wetenschapper is, gaat hij op zoek naar verklaringen. Wat is dat met dat bloed, welke stofjes zitten er in die veroorzaken wat bloed met ons doet. En stel dat we bloedworst op het Interne Keukenmenu zetten, zou dat tot een heftiger gesprek leiden?