"Brood en liefde, meer had een mens niet nodig volgens hem"

7 juni 2020
Mustafa Kör verloor op negenjarige leeftijd zijn grootvader en beschrijft de periode die aan het overlijden vooraf ging. Zijn column voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' is een eerbetoon aan de ouderen die de afgelopen maanden stierven in de woonzorgcentra. Eenzaam en alleen, zonder waardig afscheid. Zoals ook de beste vriend van zijn vader, Beikir Sahin.

Toen ik een jaar of negen was heb ik mijn grootvader zien sterven. Hij kwam te gaan zoals het hoort: thuis, in het vertrouwde bed, omringd door soberheid. Zijn sterfbed stond in de verstilde woonkamer waar een wandklok hing met een aquatisch tafereel op de wijzerplaat. Ik heb uren van dagen gestaard naar de maanvissen erop waar de ogen van één vis heen en weer tikten als secondewijzers. In een eenvoudig ingerichte huis waar op die klok na alles hand gedreven werd, leek het alsof dat schelle getik de maat van ons leven bepaalde. Nooit nog heb ik zo vaak naar sterren gekeken als destijds.

Bijna twee jaren heb ik er geleefd, een idyllisch dorpje van honderd zielen groot. Het gros van die tijd heb ik doorgebracht rond dat ziekenbed van mijn grootvader. Het jaar ervoor was ik met mijn ouders overgevlogen, want ik was nog te jong om bij mijn broer te blijven; aldus mijn vader. Enkele dagen later echter, vertrok vader weer om terug te gaan werken in de koolmijn van Eisden. Mijn moeder en ik bleven achter, zij diende haar bedlegerige schoonouders te verzorgen.

Het was een tijd van plichtsbesef, soberheid en verlies, dat me allicht heeft gevormd, maar tot op heden ook overladen met oprechte en de warmste herinneringen. Naakt zwemmen of paardrijden over de steppes, het hoorde bij het leven van Anatolische kinderen. Het is waar beste luisteraar, kinderen passen zich verbazingwekkend snel aan.

Naar het einde toe heeft grootvader moeder meermaals bedankt om haar goede zorgen

Zijn eigen dochters, die in de stad woonden en het dorpsleven maar basse-classe vonden, zagen ze sporadisch - op picknicks in de zomer of met feestdagen. Hij beet op zijn tong om ze niet te verjagen als mussen die de kerselaar geweld aandoen. Hun hautaine trekjes waren hem een doorn in het oog. Brood en liefde, meer had een mens niet nodig volgens hem. En stilte. Stilte was de kern der dingen volgens opa. Die dingen vertelde hij me zomaar in zijn kweeperen hof. Ik moest er zowaar dichter voor worden om het kristal in zijn woorden te ontwaren.

Mijn grootvader stierf perfect. Het steeds zachter hijgen, tot het langzaam verglijden in de plooien van de geschiedenis. Het was schitterend als de eerste bladval. Eenvoudige mensenkind die heengaat, in het dorp waar hij werd geboren, trouwde, en - op zijn legerdienst na - altijd zou leven.

Het was perfect, op één cruciaal onderdeel na

Zijn laatste uren waren harmonieus. Een dag of twee eerder, als onze moeder voorvoelde dat het einde nabij was, kwam een schriftgeleerde langs. Heel de tijd hield de man met ons wake. Las met tussenpozen in het heilige boek. Ik herinner me zijn gezicht. Hij droeg een hagelwitte volle baard waar hipsters van zouden opkijken. Ik herinner zijn ascetische stilte. En dat hij niets at. Ook is me zijn geur bijgebleven: een melange van amber en aarde. Een mystieke man die ons bijstond in eenzaam trieste uren. Ik herinner me dat ik bang had. Dat moeder huilde. Door hem hielden we ons sterk.

Maar hij was niet het cruciale dat bij grootvaders dood ontbrak. Het waren zijn kinderen. Zijn gezin. Waar hij in de ijle uren steeds om vroeg. Vooral naar mijn vader. Zijn uitgeweken zoon. Die een week later zou arriveren.

Toen er al omgewoelde aarde op mijn grootvader rustte.

Beluister de column van Mustafa Kör voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig':

Lees ook:

Radio 1 Select