"De kust is een terminus en ik voel me het best als ik op de rand sta, in de branding"

20 mei 2020
Televisiemaker Martin Heylen noemt zichzelf een rusteloze ziel die aan zee eindelijk rust heeft gevonden. Tien jaar geleden spoelde hij definitief aan in Oostende, na een halve eeuw in het Oost-Vlaamse dorp Oosteeklo gewoond te hebben. Hij weet dus als geen ander waaruit de lokroep van de zee bestaat.

"Ik ben altijd aangetrokken geweest door het water, ik kom niet toevallig uit een familie van binnenschippers" zegt Martin Heylen in 'De Wereld van Sofie'. "Als kind kwam ik met mijn vader naar Oostende om te vissen op het Oosterstaketsel."

"Telkens ik de zee zie, slaak ik een soort bevrijdende zucht. Vergelijk het met een vermoeid lichaam dat na het sporten een verkwikkende douche krijgt. Het is niet zozeer thuiskomen - ik voelde me ook thuis in Oosteeklo - het is groter dan dat. Dat de kust een terminus is, heeft er zeker ook iets mee te maken.  Je stapt van de trein omdat die nu eenmaal niet verder kan. Ik droomde als kind al van Patagonië, de ultieme zuidelijke grens van de wereld. Ik ben een oevermens, ik voel me het best als ik op de rand sta. De zee is een grens en ik vertoef graag aan de grens, of nog liever oveschrijd ik die, en ga in de branding staan. Dat brengt mij tot rust." 

En dan is er het licht. "Als ik na een dagje in het binnenland terugkeer naar de kust, en ik doe de deur open van ons appartement, en ik zie het licht binnenstromen, dan klaart het ook op in mijn hoofd. Het is niet alleen het licht, maar ook de lichtheid die hier heerst. Het leven lijkt hier lichter. Mensen zijn hier meer ontspannen, alsof ze eenmaal aan de kust een pakket achter zich laten."

"Ik ben 'een aangespoelde Oostendenaar'. Aanvankelijk vond ik dat een wat denigrerende term, want wat spoelt er aan? Wrakhout, kwallen, plastic. Nu beschouw ik het als een geuzennaam. Een echte Oostendenaar zal ik nooit worden, maar dat hoeft ook niet." 

"Het visserslied, dat is voor mij de blues van Vlaanderen"

Martin koestert ook een grote liefde voor de Oostendse vissersgemeenschap. "Ik heb enkele jaren geleden een voorstelling gemaakt met vissersliederen: 'Tussen haven en storm'. Een visserslied zoals 'Klèèn verdriet, groot verdriet' van Lucy Monti, dat is de blues van Vlaanderen. Die liederen proberen vooral het verdriet van de achterblijver te verwoorden. Ze worden dan ook niet door de vissers zelf gezongen maar door hun vrouwen of kinderen."

Intussen worden de strandcabines alweer klaargezet. Martin ziet met een dubbel gevoel het toeristisch seizoen weer op gang komen. "Ik ben in de lockdown het toerisme wat ontwend geraakt, ik heb net als vele andere Oostendenaren de rust leren waarderen. Het toerisme kan hier echt exploderen in de zomer. Maar ik begrijp natuurlijk als geen ander waarom mensen naar hier willen komen. Maar weet je wat ik dan doe? Ik sta heel vroeg op en ga naar het lege strand. Ik begin te wandelen, sluit mijn ogen en doe twintig stappen met gesloten ogen. Dan is het alsof je ogen in je voeten hebt. Je denkt: de plas die ik daarnet in de verte zag, zou ik er al zijn? En dan doe je nog eens honderd stappen. Dan wordt het meditatief."

Lees ook:

Radio 1 Select