"Die corona heeft ons weer even met onze pootjes op de grond gezet"

27 december 2020
© Radio 1
Marnix Peeters, auteur van 'Oogje. Het kleine meisje uit de Lange Tafelstraat' en columnist blikt in zijn column voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' terug op 2020, dat voor hem en zijn vrouw een verfrissend jaar bleek te zijn, dankzij een nieuwe vriend in hun leven: hun uit Spanje geadopteerde hond Boef.

Eind januari 2020 waren mijn vrouw en ik met de auto op de terugweg van Andalusië, na twee maanden in het bergdorp waar wij sinds enkele jaren onze winters doorbrengen. Dat terugrijden verloopt heel traag; wij rijden een kilometer of vierhonderd, gaan hier eens kijken en daar eens overnachten, en zo bereikten wij na een dag of drie Bordeaux.

Op de radio hadden wij die dag tussen het Frans geneuzel over la Cinquième République, le chômage en les gilets jaunes, mais enfin, bah oui, vernomen dat in een ziekenhuis in Bordeaux het eerste Franse coronaslachtoffer was gevallen. Het betrof een Chinees.

Ja, lap, zei mijn vrouw toen ’s avonds in het restaurant de tafel naast ons werd ingenomen door drie Chinezen, waarvan er eentje een luidruchtige snotvalling had. Wij lachten allebei eens en aten rustig onze kwartel verder op.

Op dat eigenste moment lag in zijn groentenkratje buiten onder de trap in El Acebuchal Boef te slapen. Boef was de achtergelaten jachthond, een podenco orito, die wij twee maanden eerder hadden ontmoet; hij liep al bedelend en stelend door het bergdorp, hij werd verjaagd en geschopt, de obers van het restaurant gooiden met stenen naar hem, en voor iemand er erg in had, had hij ons beider harten gestolen. Eerst dat van mijn vrouw, daarna, wat slenterend, het mijne.

Wij hadden hem, zeer tegen zijn zin, naar de dierenarts in Velez de Malaga gebracht, die hem had gechipt en ingeënt, hij moest alleen nog wachten op zijn laatste spuit tegen hondsdolheid, en zijn ballen moesten er nog af – dat kost in Spanje een fractie van hier. Wij zijn niet gek.

Het duurde nog een maand vooraleer hij naar België vloog. In die maand hadden mijn vrouw en ik ons afgevraagd wat wij in godsnaam dachten. Een wilde hond, die onze taal niet spreekt, die een jaar lang had geleefd tussen de andere wilde honden en de berggeiten in de Sierra de Tejeda, die grotendeels zichzelf had opgevoed – aan de ene kant, en wij aan de andere: gesteld op onze rust en onze vrijheid, op uitslapen, een dagje dit en een dagje dat, een maand hier en een maand elders. Wij, die hoop en al een sterke cactus een paar jaar lang in leven kunnen houden. Dat zou wat worden. Wij hadden her en der al eens gepolst bij vrienden en kennissen, of er niemand een hond wilde.

Een hond die, toen hij in België aankwam, nog nooit één poot in een huis had gezet. Hij was gesteld op zijn groentenkratje onder de trap, buiten. Een hond die nooit eerder een halsband had gedragen. Een vechtersbaas die gewend was te knokken om een homp oud brood. Wij hadden hem niet voor niets Boef gedoopt.

De eerste week was een ramp. Ik durf ze niet hardop na te vertellen. Wij belden elke dag met steeds andere vrienden en kennissen.

En toen begon, zeven dagen na zijn aankomst, de lockdown.

Wij moesten nog eens terugdenken aan die drie Chinezen in dat restaurant in Bordeaux. Hoe wij hadden gegniffeld.

Maar daar zaten wij met Boef. Opgesloten, geen bezoek meer, geen uitzicht op redding.

Hebben wij geluk gehad. In die lange, lege lockdown hadden wij plots alle tijd van de wereld om ons over Boef te ontfermen. Kom, blijf, zit, lig, nee, naast, nee, nee, nee, nee, nee. En wándelen. Hele dagen, bergop, bergaf, trekkend en sleurend, bos in bos uit, tot de energiereep moe genoeg was om het een dag te noemen.

Wij waren zo hard met het mannetje in de weer, dat wij de lockdown vergaten. Dat wij de tweede lockdown amper opmerkten. Dat wij onze cafés en onze restaurants niet eens misten. Onze Chouffe in Achouffe. Als er een schepper is die af en toe iets naar je toestuurt om je te helpen, dan had hij ons geen groter plezier kunnen doen dan met deze pelsen talisman. Deze prachtige bliksemafleider, deze troostende teddy.

2020 werd voor ons zo een verfrissend jaar. Die corona heeft ons weer even met onze pootjes op de grond gezet. Wij kunnen zien wat het aanricht bij onze vrienden en kennissen. De eenzaamheid en de vertwijfeling en de angst soms. Maar voor ons was het een jaar van ingetogen concentratie. Van opstaan, en maar één ding doen: Boef helpen om een echte hond te worden.

En hij hielp ons. Om weer wat meer echte mens te worden.

Lees ook: