"Een klap in het gezicht is een overheid die voorrang geeft aan weer shoppen, maar familiaal contact blijft verbieden"

3 mei 2020
Elise Wuyts is afgestudeerd als arts en volgt nu haar opleiding tot psychiater. Tussen het studeren door schreef ze ook 'De studente', een boek dat in 2017 genomineerd werd voor de Bronzen Uil. In haar column voor 'De toestand is hopeloos, maar niet ernstig' heeft ze het over huidhonger.

Huidhonger

Mijn werk bevindt zich in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ik als psychiater in opleiding op een behandelafdeling sta voor mensen met mentale gezondheidsproblemen. Een afdeling waar het nu verrassend rustig is. Laat ik eerlijk zijn, dat voelt een beetje als de stilte voor de storm. Er gebeurt veel achter gesloten deuren dat nog moet openbarsten.

We weten allemaal dat juist deze groep nu meer dan ooit onder druk staat. De mensen die al met mentale problemen worstelden. De mensen met depressie, met angst, met een alcoholverslaving, degenen die gevaar lopen om psychotisch of manisch te worden. Degenen die van ons steeds het advies krijgen om sociaal contact te onderhouden, vrijwilligerswerk uit te bouwen en dagtherapie te volgen. Die mensen zitten nu ook thuis opgesloten, zonder een manier om al die belangrijke adviezen te volgen.

Eenzaamheid kan dodelijk zijn. Ik kijk vanuit mijn eigen luxepositie, waarin ik een plaats voor mezelf heb, en werk waar ik van hou om naartoe te gaan, en zelfs ik voel hoe de zwaarte van die zogenaamde huidhonger begint te wegen. Het doet me eens zo zeer stilstaan bij de mensen die ook zonder COVID-19 niemand hebben om op terug te vallen, niemand om hun hand vast te pakken of een knuffel te geven.

Aanrakingen vormen een onontbeerlijk deel van onze menselijke natuur. Pas nu die zijn weggevallen voel ik hoezeer ze een deel van onze communicatie vormen. Een kus op de wang voor je ouders. Een knuffel voor je grootmoeder. Hand in hand met je partner over straat lopen. Drie kussen geven om een verjaardag te vieren.

Maar ook in het professionele leven begint de afstand te wegen. Wij zitten nu als hulpverleners verstopt achter een mondmasker als we met onze patiënten willen praten. We kunnen ze geen hand meer geven om ze succes te wensen, we kunnen ze geen zakdoek aanbieden als ze moeten huilen, we kunnen zelfs niet naar hen glimlachen zonder dat vervelende stukje doek ertussen.

Wij zetten als psychiatrische zorgverleners niet zo zeer ons leven op het spel als de hulpverlener aan het COVID-bed. Het virus heeft zich op ons domein nog niet naar binnen gewurmd. Maar wij moeten wel onze patiënten beschermen. En dus laten we hen niet van het domein, verbieden we hen om bezoek te krijgen, mogen ze bij niemand in de buurt komen en zelfs niet met mensen van andere afdelingen gaan praten. Ja, natuurlijk zijn dat begrijpelijke maatregelen en kunnen we niet zonder als we iedereen gezond willen houden. Ja, natuurlijk kiezen onze patiënten wel zelf om te blijven en zijn ze ook bij ons omdat ze zorg nodig hebben. Maar iemand weghouden van haar kinderen, een koppel uiteenhouden of ouders bezoek van hun zoon verbieden, maakt dat ik me soms meer cipier dan hulpverlener voel.

Ik hou van mijn job, het gevoel om iemand werkelijk te kunnen helpen kan met niets vergeleken worden. Maar als dat gevoel wordt afgepakt, of tenminste verdund door asociale maatregelen, is dat soms moeilijk te dragen. Zowel voor ons als voor de mensen die we willen helpen.

Een extra klap in het gezicht is dan een overheid die voorrang geeft aan het opnieuw toestaan van shoppen vanaf 11 mei, maar contact met eigen familie blijft verbieden. Zo blijven de kwetsbare bevolkingsgroepen weer in de kou staan.

Ik begrijp de lockdownmaatregelen die getroffen zijn heel goed. Want zonder zouden we met veel hogere sterftecijfers zitten en met ziekenhuizen die al lang overspoeld waren. Maar het is zo gemakkelijk om de menselijkheid uit het oog te verliezen als je er niet zelf mee geconfronteerd wordt. En de manier waarop deze lockdown wordt afgebouwd, de zogenaamde “exit strategie”, zegt helaas heel veel over die menselijkheid, of het gebrek daaraan.

En aan de andere kant van het spectrum zie ik mijn collega’s elke dag opnieuw het beste van zichzelf geven. Ik zie patiënten die vol begrip naar onze strenge maatregelen toe kijken. Ik zie mensen die met creatieve oplossingen komen om families online te herenigen. Ik zie mensen zorgen voor elkaar onder de fronsende blik van een overheid die niet zorgt voor ons. En dat geeft me hoop in deze hopeloze tijden.

Beluister hier de column van Elise Wuyts:

Lees ook: