"Eerst aan je hand laten ruiken, dan je hand op zijn neus"

7 maart 2018
Foto: Johan Martens
Eva Mouton is op vakantie in eigen land met haar vriend Bert. Een bezoek aan een manege roept jeugdherinneringen op.

Aan zee

Mijn vriend en ik zijn een halve week aan zee. We staan laat op, lezen de krant, vullen kruiswoordraadsels in en gaan om eten in de plaatselijke supermarkt. Soms nemen we een droge worst mee. Altijd koop ik een album van de Kiekeboes.

Op de eerste dag lopen we naar de manege. Er ligt een waas over het duingras, het mos, de slakjes en het zand. Alsof Luc Tuymans vannacht het landschap heeft aangepakt. Zachtjes, de kwast gedoopt in aangelengd zinkwit.

Ik leer Bert hoe hij een paard moet wrijven. ‘Eerst aan je hand laten ruiken, dan je hand op zijn neus, kijken of hij zijn oren legt. Als hij je leuk vindt, geef je klopjes in zijn hals of krab je achter zijn oren.’ Het voorbeeldpaard gooit zijn hoofd omhoog. Bert schrikt. Ik zeg: ‘na een tijd leer je ze lezen.’ Ik voel mij raar in de rol van onderwijzer, dus laat ik Bert alleen en loop ik naar een andere gang.

Er ligt al een laag zwart stof op mijn handen. Ik denk een tel aan Philip Vandenbergh, de schilder die in 2009 een einde maakte aan zijn leven. Zijn laatste werken waren rauw, bijna zwart gepekt. Ik begin hard met mijn wijsvinger over de palm van mijn hand te wrijven. Het stof draait in fijne rolletjes. Het routineuze gebaar werpt me terug naar de lange zomers die ik met mijn nichtjes op de manege in het dorp naast het onze doorbracht.

We batikten lelijke T-shirts, knoopten lelijke armbanden, verzonnen lelijke dansjes en speelden veel van paardje. Op een dag raakte mijn ene nicht de andere met de longeerzweep. Ze viel bezweet en kermend neer in het mulle zand van de piste. Toen ze opstond bleef het zand aan de helft van haar gezicht kleven, wat ons, uiteraard, in lachen deed uitbarsten. Op paardenkamp had er elke dag wel iemand pijn. Viel je niet van je bokkende pony, dan kreeg je wel een hoef op je teen wanneer je de buik van je paard vol overgave aan het roskammen was. Iemand haalde tijdens het bosspel haar voorhoofd open aan de prikkeldraad, nog iemand anders bleek allergisch aan de batikverf.

Ik wrijf een stevige bruingevlekte pony die uit een spaghettiwestern lijkt te komen. De afdruk van het zadel staat nog in haar rug. Ik trek hooi uit een baal, ze maakt haar hals zo lang ze kan. Als een gulzig ‘Hippo Hap’-nijlpaard hapt ze naar mijn hand. Ik lach, zeg: ‘Rustig maar.’ Bert komt bij mij staan. Hij zegt iets over een zwart paard, dat hij hem kon wrijven, in de ogen kon kijken. Dan kijkt hij naar de pony. Hij zegt: ‘Woaw, net het paard van een indiaan.’ Enthousiast begint hij te vertellen over het indianenkamp van lang geleden. Over de lelijke armbanden die ze daar fabriceerden.

Lees ook: