"Elke avond, acht jaar lang, pakken Henri en mijn tante van de bloemenwinkel elkaars hand"

2 mei 2021
Lotte Debrouwere is journaliste en columniste bij Het Nieuwsblad. Ze vertelt in haar column voor 'De toestand is hopeloos, maar niet ernstig' het verhaal van haar tante van de bloemenwinkel, haar nonkel van de tapijtenfabriek en Henri van de multinational.

Henri en mijn tante van de bloemenwinkel

Zij een meter zesenzeventig. Elf centimeter groter dan hij, een meter vijfenzestig. EN EEN HALF, een meter vijfenzestig en een half, lachte hij dan. Zij, groot en fors. En hij klein en taai. Ze waren zo zot van elkaar. Mijn tante van de bloemenwinkel en haar grote liefde: de briljante Henri van de multinational.

Mijn tante. Mijn tante was eerst getrouwd met mijn nonkel die werkte in een tapijtenfabriek. Elke middag belde mijn nonkel haar. Maar op een dag belde hij niet. Plots stond er een man in haar bloemenwinkel. “Hoe is de naam van uw man”, vroeg hij. “Johan Debrouwere”, zei mijn tante. “Dan ben ik aan het juiste adres. Mevrouw, mag ik eens binnenkomen.” Hij deed zijn pardessus af, mijn tante zag het kruisje op zijn kostuum en wist direct hoe laat het was. De fabriek was ontploft. Haar man was gestorven. Hij lag onder het puin.

Duizenden tranen later bezoekt mijn tante van de bloemenwinkel de tapijtenfabriek van haar gestorven man. Om papieren te regelen. De baas belt in haar bijzijn naar Henri van de grote multinational. “Henri, ik vraag u een gunst. U weet van de ontploffing in ons bedrijf. De echtgenote van onze gestorven werknemer heeft een bloemenzaak. Net als wij hebben jullie ook af en toe bloemen nodig voor een overlijden of een pensioen. Het zou me oprecht deugd doen als jullie die bij haar kopen vanaf nu.”

Henri laat altijd bloemen bij haar bestellen. Elke twee weken, op donderdagavond komt hij ook zelf over de vloer. Om een boeket voor zijn zieke vrouw te kopen. Ze heeft kanker. Mijn tante raakt met hen bevriend. Ze gaan vaak met zijn drietjes uiteten. Het leven gaat redelijk. Mijn tante redt zich, met haar twee zoontjes die opgroeien tot zonen.

Maar in 2009 slaat de dood weer toe in haar leven. Haar zoon Jeroen overlijdt. 27 jaar. Omvergereden tijdens een fietstochtje. Het is donker in het gebroken hart van mijn tante. Henri en zijn vrouw Nicole zijn een grote steun.

Maar Nicole sterft. Kanker is zo’n lelijk beest. Henri blijft alleen achter. Hij is dan 71, mijn tante 58. Op zijn verjaardag brengt mijn tante een bos bloemen. Om hem te verrassen. Ze belt aan, bij de grote villa van Henri. Hij zit moederziel alleen. Zijn kinderen wonen in Amerika. “Zou je alsjeblieft samen met mij iets willen gaan eten”, vraagt hij. Dat doet ze. En dat krijgt weken later een vervolg. En nog een vervolg. Een drankje hier, een taartje daar. Op een dag valt de eerste kus.

Elke avond, acht jaar lang, pakken Henri en mijn tante van de bloemenwinkel elkaars hand. Dan strekt hij zijn rechterarm uit, gaat zij dicht tegen hem aan liggen en fluistert hij “bedankt schatje, merci pour tout. Que dieux vous bénice, mon enfant. Dat god je moge zegenen mijn kind.

En dan komt corona. Ze vaccineren al, in de woonzorgcentra. Henri is bijna aan de beurt, hij is 79. Hij is er niet gerust in en belt vaak de huisarts. “Is het vaccin er al ?” Waarop de dokter telkens “u zit in de risicogroep, u zal één van de eerste zijn.” Henri, eens een zakenman, altijd een zakenman, koopt aandelen bij Pfizer en Moderna. “Ge weet maar nooit”, zucht hij. “Als ik corona krijg, ben ik een vogel voor de kat.”

Enkele weken later. Het is toch geen waar zeker. Hoe kan dat nu. Corona verdomme. Henri kijkt mijn tante aan. Stilletjes. Hij is de vogel. De kat zit achter hem aan. Hij moet naar de corona-afdeling. Twee zwarte deuren worden met een verpleegstersvoet opengeduwd. Een vrouw in een ruimtepak neemt het bed aan, de zwarte deuren klappen weer dicht. Mijn tante slaapt voor het eerst in acht jaar alleen. Ze zoekt zijn hand, maar vindt het niet.

22 februari : Mijn tante heeft het ondertussen ook vlaggen, ook corona. Elke dag maakt ze zich op, zo goed en kwaad als het kan, om met Henri te videobellen. Zij vertelt verhalen, herinneringen van hun liefde. Hij grinnikt achter zijn zuurstofmasker. Maar Henri gaat achteruit. Omdat mijn tante zelf corona heeft, mag ze bij hem langs. In een plastieken ruimtepak pakt ze hem vast. “Het is uitzichtloos maar heb geen schrik. Ik zal me wel redden”, fluistert ze. Achter het zuurstofmasker rolt een traan over zijn wang. De volgende dag sterft Henri. Een paar weken voor hij gevaccineerd zou worden. “Schatteke toch, ik hoop dat je goed aankomt”, fluistert mijn tante nog.

Henri is goed aangekomen. Dat weet mijn tante zeker. Bij Nicole, zijn vorige vrouw. Bij Johan, haar vorige man. En bij Jeroen, haar zoon.

Beluister de column van Lotte De Brouwere voor ‘De toestand is hopeloos maar niet ernstig’ via Radio 1 Select.

Ontdek ook de andere columns uit deze uitzending: