Elke vriendschap met mij is verderfelijk

2 februari 2019
"Zeer vereerde heer Stefan Zweig, Uw aardige brief heeft me veel plezier gedaan. Als iemand het recht heeft van mij volmaaktheid te eisen, bent u dat, die zelf zo volmaakt, zo voortreffelijk en zo zuiver componeert. Het is mijn grootste wens u te kunnen ontmoeten. Maar ik ben vaak onderweg, heb geen vast adres. Ik ben tot midden februari te bereiken op het adres Parijs XVI, rue de la Pompe 152 - 154. Schrijft u me daarvandaan waar u in het voorjaar verblijft? Ik groet u in warme dankbaarheid."

Dat schrijft Joseph Roth aan een man die hij hooglijk bewonderde: Stefan Zweig.

Joseph Roth was een krantenjournalist met een drankprobleem en permanent geldgebrek die van hotel naar hotel zwierf. Zijn succesromans moesten hij nog schrijven. Zweig was in de jaren '20 een literaire reus. Dat verklaart de wat onderdanige, misschien zelfs kruiperige toon van de eerste brieven die Roth aan Zweig schreef.

Els Snick heeft de briefwisseling tussen Roth en Zweig vertaald. Als je aan het eind van Elke vriendschap met mij is verderfelijk bent gekomen, is de toon van de brieven veranderd. In die tien jaar vriendschap is de verhouding omgekeerd, en is het Roth die Zweig stylistisch advies geeft.

De brieven zijn verrukkelijk geschreven, maar de inhoud stemt niet vrolijk. Roth is een subliem formulerende jammeraar. Hij smeekt Zweig voordurend om geld. Niet dat hij geen inkomsten heeft. Integendeel, zijn journalistieke stukken worden goed betaald en hij schrijft een paar bestsellers. Maar Roth houdt er een geldverslindende levenswandel op na. Hij leeft in hotels, hij betaalt gul de rekeningen van vrienden die echt arm zijn, en hij moet de kosten dragen voor de verzorging van zijn echtgenote. Friedl Reichler was psychiatrisch patiënt.

De briefwisseling loopt van 1927 tot 1938, jaren waarin Oostenrijk en Duitsland het nazisme zien opkomen. Roth en Zweig reageren daar heel anders op: Roth schrijft vlammende journalistiek stukken, Zweig houdt het bij literatuur en neemt publiek geen stelling in. Roth foetert in een brief aan Zweig: 'Ziet u het dan nog steeds niet? Het woord is gestorven, de mensen blaffen als honden. Zolang u innerlijk niet helemaal, niet definitief met het huidige Duitsland hebt gebroken, zal er tussen u en mij een kloof bestaan.'

Els Snick zit zaterdag aan de Interne Keukentafel. Ze kent de brieven bijna uit haar hoofd.