Freddy Sunder verjaart

3 juni 2016
Freddy Sunder verjaart
Freddy Sunder is een naam als een Zwitserse klok in de Belgische muziek: gitarist, boogie woogie-pionier, pre-rock 'n roller, arrangeur en dirigent van het BRT-Jazzorkest. Wat maakt hem zo bijzonder, en waarvan kennen we hem allemaal? Time Out vroeg het aan zijn zoon gitarist Fritz Sundermann.

Freddy Sunder (geboren als Fritz Sundermann op 4 juni 1931) is er 85 en gelukkig nog in leven. De man heeft een groot stuk van de omroepgeschiedenis van nabij meegemaakt én is een pionier van de gitaarwereld in ons land. Sunder was studiomuzikant, gitarist en arrangeur, maakte een soort rock 'n roll avant-la-lettre (Calling Car Boogie, Kaw Liga Boogie) en kwam zoals velen in zijn tijd terecht bij één van de omroeporkesten van de toenmalige BRT. Michaël overloopt een carrière in de lichte muziek met zoon Fritz Sundermann.

---------------------------------------------

Freddy Sunder: Kaw Liga Boogie (1953), een tekst van Raymond Stroobant


Ik heb met hem afgesproken in café ‘Chez Henri’ in de Lakensestraat. Ondanks het rookverbod steken de stamgasten onverstoorbaar de ene, meestal zelfgerolde sigaret na de andere op. Wanneer ik binnenkom, staart Freddy Sunder dromerig naar zijn koffie en het glaasje Calvados dat ernaast staat. Zodra hij me ziet, beginnen de waterige oogjes achter de brillenglazen te twinkelen. Hij schuift een plastic zak over de tafel naar me toe. Cd’s met zeldzame opnames die ik hem gevraagd heb voor een radioreeks over Expo 58. Of hij nog veel herinneringen heeft aan dat internationale evenement? “Natuurlijk. Ik heb er nog opgetreden met het orkest van Francis Bay. In Paleis 10 was dat. Rechtstreeks uitgezonden op tv met alle technische problemen van dien. Ja, dat waren nog eens tijden!” Het is een mantra die voortdurend weerkeert tijdens ons gesprek. “Weet je dat ik nog meegespeeld heb op de meeste Expobrood singles?” Die plaatjes herinner ik me niet, maar wel de blauw en witte broodzakken met daarop de asymmetrische ster die het symbool van de Expo was. Een enkele keer kocht moeder zo’n wit vierkant gesneden brood, maar vader had een hekel aan die “slappe voorverpakte brol” en sindsdien kwam er weer gewoon boerenbrood op tafel. “Ja, dan zal je die 45-toerenplaatjes inderdaad niet kennen. Wie genoeg Expo-emblemen uit die zakken knipte, kon mits een kleine toeslag een single krijgen met bekende songs, klakkeloos nagespeeld door studiomuzikanten die schuilgingen achter namen als The Twistin’ Guys, The Fender Boys of Bobby Sitting. Dat was een van mijn vele aliassen in die tijd.”
In 1953, een jaar dus voor Elvis Presley in de Sun Studios in Memphis met That’s All Right een muzikale revolutie veroorzaakte, nam hij Kaw Liga Boogie op. Wanneer ik vraag of hij trots is dat men hem de allereerste Belgische rocker noemt, glimlacht hij. “Rock-‘n-roll was helemaal mijn ding niet. Geef mij maar jazz. Ik ben opgegroeid met de grote Amerikaanse evergreens van Ella Fitzgerald, Louis Armstrong en zo vele anderen. ” Van dan af is hij niet meer te stuiten.
“Antwerpen was een echte muziekmetropool. Van ’t Zuid tot aan de Seefhoek vond je de ene bekende kroeg na de andere en overal stond een jukebox, dikwijls met platen die zeelieden op bestelling meebrachten. Na de bevrijding was Antwerpen immers de doorvoerhaven van de geallieerden geworden. Tanks en vrachtwagens kwamen daar toe. Het stikte er van de Amerikaanse soldaten die op zoek waren naar twee dingen: vers eten en muziek. Ze gingen vooral dansen in Club 21. Begin jaren 50 trokken ze weg, maar ze lieten wel een rijke muzikale erfenis achter.
Ik ben opgegroeid in de Seefhoek, een arme buurt waar je moeilijk uit ontsnapte. Veel van mijn vrienden begonnen te werken op hun veertiende, maar mijn vader die een gewone havenarbeider was, stond erop dat ik een diploma elektronica haalde. Dik tegen mijn zin natuurlijk, want ik wou maar een ding: muzikant worden. Jammer genoeg kon je op de muziekschool geen cursus gitaar volgen. Daarom heb ik zo’n kleine vier jaar viool gestudeerd, hoewel ik dat niet zo graag deed.
Toen ik 15 was, ging ik met mijn ouders naar de Magic Palace waar het orkest van Leo Kiebooms speelde. Omdat moeder wist dat ik een goede stem had, spoorde ze me aan om te vragen of ik een liedje mocht zingen. Ik trok mijn stoute schoenen aan en mocht plaatsnemen achter de microfoon. Kiebooms was onder de indruk, maar omdat ik geen gitaar speelde, kon hij me geen plaats aanbieden in zijn band.
Op mijn 16de kreeg ik dan eindelijk toch een gitaar van mijn vader. Hij had ze gekocht van een vriend van hem. Als een gek ben ik akkoorden beginnen te oefenen uit een boekje met Zuid-Afrikaanse liedjes van Bob Davidse. Zodra ik de techniek voldoende in de vingers had, begon ik op te treden en te zingen bij zowat alle bekende dansorkesten van Antwerpen.
Tijdens mijn legerdienst in 1952 schreef een vriend me in voor de preselecties van een crochet die in enkele garnizoensteden werden georganiseerd. Ik won met de vingers in de neus. Tijdens de finale in Brussel zong ik Jezebel van Frankie Lane en ook daar ging ik met de overwinning aan de haal. De oude Jacques Kluger, die Bobbejaan Schoepen had gelanceerd en later ook Will Tura onder zijn hoede nam, was geïnteresseerd in mij. Tijdens een auditie zong ik Lady Be Good van Ella Fitzgerald, maar na afloop klopte hij me op de schouder en zei: “Jongen, zorg dat je een goede muzikant en een goede orkestzanger wordt, want als soloartiest kan ik niks met jou doen.” Een zware ontnuchtering.
Toen kwam ik in Antwerpen de bekende drummer Tony Dynamite tegen. Die stond nogal open voor jonge muzikanten en hij nodigde me uit om mee te doen aan een jamsession in Billard Palace. Dat liet ik me geen twee keer zeggen. Ik wist niet dat Albert en René Van Hoogten in de zaal zaten. Die baatten platenzaak René uit en hadden ook een eigen label, Ronnex Records. Ze wilden een single opnemen met mij, zegden ze, maar ik maakte me weinig illusies. Ik hoorde dan ook een hele tijd niks meer van hen. Tot op een dag een man op het Stuivenbergplein passanten vroeg naar “dat klein mannetje met zijn brilletje dat altijd voor zijn raam gitaar zat te spelen”. Iedereen kende mij, en zo kwam die platenreiziger - zo noemde men promotiemannen destijds - bij mij terecht. ’s Anderendaags - een zondagmorgen nota bene - mocht ik naar het kantoor van Ronnex komen in de Van Wesenbekestraat. Albert Van Hoogten wachtte mij op, samen met trompettist en arrangeur Charlie Knegtel, de huisproducer van het label. Hij had een liedje dat me op het lijf geschreven was, zei Albert: Kaw-Liga van Hank Williams dat in Amerika een hit was voor Champ Butler. (1) Hij zag het groot, want hij had alle singles die in België op de markt waren gekomen gewoon opgekocht, zodat mijn versie er geen concurrentie van zou ondervinden. Straf hé? Ze lieten mij dat plaatje horen, maar ik vond er niks aan. “Dat, nooit van zijn leven,” zei ik. Van Hoogten was serieus in zijn wiek geschoten en liet me achter met Knegtel. Charlie was een vriend, en we besloten enkele dagen later nog eens bij elkaar te komen om te zien of we het liedje niet konden bewerken. Ik bracht mijn gitaar mee en we hebben toen het een en ander geprobeerd en wat geïmproviseerd. De single is het resultaat geworden van hoe ik het toen gezongen heb en van mijn koppigheid. Stilistisch was het geen echte boogie woogie, maar het leunt er wel dicht tegenaan.”
Ik knik. Ik heb de versie van Champ Butler beluisterd en vind ze vrij vlak. Freddy legt veel meer variatie in zijn zang, maar het grootste verschil is toch de intro. De toms imiteren indiaanse drums zoals we die kennen uit jaren 50 westerns, en plots hoor je vier keer na elkaar “Oe koewa”, gevolgd door een indianenkreet, waarschijnlijk ook weer geïnspireerd door cowboyfilms uit die tijd. Hoe dan ook, het werkt en de sfeer is gezet. Ik kan me voorstellen dat die “oergeluiden” uitbundig meegebruld werden door dansende koppeltjes.
Sunder glimlacht. “De opname van Kaw Liga Boogie liep niet van een leien dakje. Ze vond plaats in de Olympia studio in Brussel. Ik stond met de sessiemuzikanten in dezelfde ruimte en moest me achter een paneel opstellen. Alles werd in een keer op de band gegooid. Ik hoorde mezelf nauwelijks zingen en uiteraard liep het constant fout. De balans werd immers bepaald door de afstand tussen de microfoons en de instrumenten. Op een zeker ogenblik hebben we zelfs de piano verschoven omdat we de klank niet goed kregen. Zo ging dat toen hé!”
Het was een 78-toeren opname, uiteraard nog in mono. Er staat zelfs een fout op het gele label: FREDDY SUNDER (vocal) with CHARLIE KNEGTEL & his rhythmes. Er werden duizenden exemplaren van verkocht. Straf, zeker als je weet dat er toch enorm veel buitenlandse concurrentie was. “Ja, waarom wordt de ene plaat een hit en de andere niet? Moeilijk te verklaren soms. Waarschijnlijk was er een gat in de markt. Het was een dansplaat met een aanstekelijk ritme en de Van Hoogtens hadden ze tijdens de Sinksenfoor op zowat alle jukeboxen in Antwerpen gezet. Het nummer sloeg aan. Bovendien dachten de mensen dat ik een Amerikaan was. In het bevolkingsregister sta ik ingeschreven als Fritz Sundermann, maar Albert Van Hoogten kwam met het idee om er de naam Freddy Sunder op te plakken. Een plaat van een Amerikaan verkoopt beter, vond hij. Ik mocht natuurlijk tegen niemand zeggen dat ik de zanger was en van dan af kon ik ook niet meer optreden. Meer dan eens heb ik daarover mijn beklag gedaan bij Van Hoogten, maar hij hield voet bij stuk. Stel je voor dat ze mijn stem zouden herkennen! Dat zou een catastrofe zijn.
Na een jaar kwam de waarheid toch aan het licht en toen het publiek ontdekte dat de hits Kaw Liga Boogie, Calling Car Boogie en Rio Rita gezongen werden door een jongen uit de Seefhoek, was het meteen gedaan met het succes. De platenverkoop zakte naar nul. Een drama!” (2) Hij zucht. “Niks aan te doen hé. En toen heb ik een zeer wijze beslissing genomen. Gedaan met zingen, zei ik, maar ik zal ervoor zorgen dat ik een heel goede muzikant word. In januari 1958 ben ik dan begonnen bij het orkest van Francis Bay, en na zijn vertrek heb ik zelf tien jaar lang de BRT Big Band gedirigeerd. Tussendoor heb ik anoniem meegespeeld op honderden platen, soms van minder bekende artiesten, maar dikwijls ook bij opnames van grote sterren. Wist je bijvoorbeeld dat ik de gitarist ben op Eenzaam zonder jou van Will Tura? En ook aan Sans toi ma mie van Adamo heb ik meegewerkt. Zelfs de orkestband van Kili Watch heb ik ingespeeld, samen met drummer Jo De Muynck, bassist René Goldstein, plus Jo Van Wetter op gitaar. The Cousins hebben dat achteraf leren naspelen. Niet dat zij het niet konden, begrijp me niet verkeerd. De reden waarom men ons daarvoor gevraagd had, was dat een studio huren toen ook al erg duur was. En als dat zoveel kost, dan kijkt men wel even uit wat men doet. Daarom gebruikte men dus dikwijls studiomuzikanten. Wij wisten niet dat men daar later Kili Watch op zou zingen. Dat was onze zaak niet!
De meeste mensen beseffen ook niet dat ik internationale vedetten als Frank Sinatra, Sammy Davis Jr., Shirley Bassey en Gilbert Bécaud begeleid heb. Ik heb zelfs meegespeeld met het orkest van Caravelli. Geweldig!”
Hij glundert als hij het vertelt, maar wanneer ik hem vraag of hij aan zijn kortstondige roem geen aardige spaarcent overgehouden heeft, lacht hij sarcastisch. “Was het maar waar! Een artiest had toen niks in de pap te brokken. Had ik doorgedreven, dan hadden ze me zeker 2 600 000 Belgische frank moeten betalen, maar moeder wou niet dat ik een rechtszaak aanspande. Vandaag de dag zou zo’n gesjoemel niet meer lukken. Muzikanten zijn veel mondiger geworden en vooral beter georganiseerd, maar wij waren veel te braaf hé.”
Om de sfeer niet helemaal te bederven, vraag ik niet waarom hij eind jaren 70, begin jaren 80 met zo’n raar afrokapsel rondliep en wenk de fel opgemaakte café-uitbaatster die de as van haar sigaret tikt. “Hetzelfde, meneer Sunder?” Hij knikt en geeft haar een dikke knipoog. Ze is er duidelijk mee opgezet.

(1) Een liedje over een houten indiaan aan de ingang van een winkel die verliefd wordt op het beeld van een indianenmeisje in een antiekzaak wat verderop. Hij durft zijn gevoelens niet te uiten en blijft verslagen achter wanneer zijn “geheime liefde” verkocht wordt.
(2) Na zijn grote succesperiode heeft Sunder nog verscheidene singles uitgebracht. In 1956 bv. verscheen Kaw Liga Rock . Waarschijnlijk een poging om een graantje mee te pikken van de nieuwe rock-‘n-roll rage. Hij zorgt daarop voor enkele gitaaraccenten, wat nog niet het geval was op de boogieversie.