Genieten van de natuur is niet van alle tijden

25 april 2020
Een mens moet af en toe eens goed in de natuur kunnen wandelen. We hebben dat nodig, zeker nu. Toch is genieten van de natuur niet van alle tijden, want ooit deden we dat niet. Het is nogal ‘uitgevonden’. Waarom dat zo is kwam bioloog en historicus Jan Desmet een paar jaar geleden uitleggen aan onze Interne Keukentafel.

“De ontluikende liefde en belangstelling voor de natuur is iets dat er bij de mensheid niet altijd geweest is”, vertelt Jan Desmet. “Pas later hebben we geleerd om het idee dat de natuur iets vreselijk en gevaarlijk kan zijn los te koppelen van het feit dat een heuvel of bos iets heel mooi is”.

Verstedelijking

De appreciatie voor de natuur is gegroeid vanaf de 19de eeuw, wanneer er grote steden en een grote stedelijke bevolking ontstonden. Stadsmensen hadden niets te maken met landbouw, en hun leven hing er niet van af. Daardoor konden ze op een heel afstandelijke manier naar ongerepte natuur kijken, zonder dat ze moesten nadenken over het gevaar van dieren voor de kippen of schadelijke insecten voor de oogst.

Kalmthoutse Heide

De Kalmthoutse Heide vormt een perfect voorbeeld. De Kempen bestonden vroeger voor tienduizenden hectaren uit zo’n heidelandschappen, en de boeren die daar leefden hadden een zeer zwaar bestaan. “Het was moeilijk om op de zandakkertjes aardappelen of haver te kweken. Er was nauwelijks iets, het waren arme sukkels”.

Tegelijkertijd kwamen er rijke mensen uit Antwerpen, de bourgeoisie, de heide bezoeken omdat die zo mooi was in hun ogen. Maar die landbouwers verwittigden meteen de lokale politieagent omdat er ‘rare snuiters’ op de heide liepen. Ze begrepen niet wat ze daar kwamen doen.

Fôret de Fontainebleau

Een gelijkaardige situatie speelde zich af in het ‘Fôret de Fontainebleau’, een bosgebied ten zuiden van Parijs. Daar woonden een aantal kunstschilders die Parijs ontvlucht waren en kwamen veel rijke mensen tijdens de zomermaanden langs.

In het bos stonden bomen van honderden jaren oud die nooit gekapt waren, er het lag er vol met heel gekke rotsen. Maar dat landschap werd in 1842 getemd toen een man, Denecourt, wandelpaadjes begon te plaatsen. Dat maakte hem trouwens ook de uitvinder van het bewegwijzerde natuurpad.

Meer weten? Beluister het volledige gesprek met Jan Desmet:

Lees ook:

Radio 1 Select