"Ik word haast misselijk van verlangen naar de stilte van mijn eiland"

10 mei 2020
© Uitgeverij Vrijdag
Louis van Dievel is een schrijver die het liefst zijn boeken schrijft in afzondering in zijn huis op een klein Spaans eiland. Hij schrijft er gedisciplineerd, van maandag tot vrijdag. Maar waar is Louis nu?

Ik ben al tien jaar de toch wel trotse bezitter van een huisje op een klein Spaans eiland. Mede met dank aan een hypothecaire lening van de lokale spaarkas, ik zeg het er maar even bij. Het is een bescheiden optrekje: 1 grote, hoge kamer, 1 badkamertje, 1 terras en 1 rommelkot. Geen zwembad, wél een dikke anderhalve hectare wildernis als tuin, bewoond door hagedissen. En vooral: van overal uitzicht op de machtige Atlantische Oceaan. Ik kan daar uren naar kijken. Bij helder weer zie ik de top van de Teide, de vulkaan op Tenerife. Er is verder volstrekt niets te zien, behalve de prachtige natuur. Het is er stil, zo stil dat je naar de stilte gaat luisteren.

Ik schrijf mijn boeken op het eiland, heel gedisciplineerd, van halftien tot vijf, van maandag tot vrijdag. Op zaterdag poets ik en doe ik boodschappen, op zondag doe ik niets, want dat is de dag des Heren. Kun je leven van dat schrijven? vraagt een eilander soms een tikje ongelovig. Ja hoor, antwoord ik dan, bezijden de waarheid. En voorts ga ik uit wandelen, kriskras over het eiland, je kunt er toch niet verdwalen. Ik stap minder dan vroeger weliswaar, door allerlei ouderdomskwaaltjes. Ik heb er geen last van eenzaamheid. Ik voel me niet opgesloten, want ik heb muziek, boeken en internet. Ik ben er domweg gelukkig.

Maar ik ben er nu dus niet. Ik kan er niet ook niet naartoe. Ik weet niet of ik er deze zomer überhaupt nog naartoe zal kunnen gaan. U weet waarom, ik krijg het C-woord niet meer over mijn lippen. Soms, als er nog maar eens een buurman zijn grasmachine of haagschaar of slijpschijf op gang trekt, als een andere gebuur een nachtelijk feestje bouwt in zijn tuin, als er slechte muziek schettert of davert uit geparkeerde auto’s, word ik haast misselijk van verlangen naar de stilte van mijn eiland. Naar de zon, naar de nachtelijke melkweg, naar de visarenden hoog in het zwerk, naar de machtige oceaan die nooit dezelfde is.

Sombere gedachten bespringen mij dan. Kan ik dit jaar nog wel terug naar mijn huisje? Staat het er nog wel? En zo ja, in welke staat, na nu al zes maanden zonder bewoning? Leven mijn olijfboompjes nog? Hoe is het met de hangbuikzwijnen van mijn buurman Antonio gesteld? Zal ik om te reizen een toeristenpas nodig hebben die bevestigt dat ik gezond ben van lijf en longen? Zal ik het vliegtuig nog kunnen betalen? Zal ik nog welkom zijn op mijn eiland? Het is een raar en koppig en bijgelovig volkje dat er woont. En als ik tot ginder geraak, kan ik dan nog wel terug, mocht het C-woord opnieuw toeslaan? Tobben, tobben, tobben.

Anderzijds ben ik nog geen klein beetje blij dat ik hier ben, in de Kempen. De berichten die me van het eiland bereiken zijn niet erg bemoedigend, ja zelfs beangstigend. Het lijkt of de zwarte dictatuur van Franco is teruggekeerd in Spanje. Leger en Guardia Civil patrouilleren alsof de staat van beleg is afgekondigd. Iedereen die een voet op straat zet, wordt gecontroleerd. En ik kan u verzekeren, je kunt met die mannen niet “zeveren” zoals je bij ons nog met de politie kunt doen. Soms toch. Nochtans zijn er op het eiland maar drie besmettingen gemeld, en geen dodelijke slachtoffers. Ongelooflijk eigenlijk, met die cultuur van kussen en knuffelen en lichamelijkheid in het algemeen, van dicht op elkaar leven in kleine kamers in benepen huizen. Het eiland wordt dan ook beschermd door de Maagd Maria, die er met passie wordt vereerd. En kijk, vroeg of laat loont dat.

lvd

Beluister de column van Louis van Dievel

Lees ook

Radio 1 Select