"Het leven is een virus dat blijft woekeren tot de dood erop volgt"

17 mei 2020
Thérèse Wauters moet het al tien jaar stellen zonder haar geliefde echtgenoot, VRT-sportjournalist Jan Wauters. Hij overleed in een ic-bed, maar het afscheid verliep heel wat warmer dan bij patiënten die op een ic-afdeling aan COVID-19 sterven.

Tien jaar later.

Corona und kein Ende, wat een ellende. In de straten ambulances met gemaskerde mannen aan het stuur. Ze leveren hun vrachtje snel af aan de achterkant van ziekenhuizen, waar weer leden van een nog onbekende stam, de hulpverleners, het van hen overnemen. Ze gaan met onze zieke medemens, onze buur of werkmakker, of nog enger en erger met onze geliefden aan de haal. Voor velen van ons, ouderen, is het bang afwachten: wanneer ben ikzelf aan de beurt?

De dood waart rond, geniepig, ondergronds. Maar bovengronds is het lente en de natuur trekt zich van al onze misère niets aan. Schandalig gewoon, zoals het groeien en bloeien woekert in onze tuinen en parken. Uitdagend het gesjilp, gekwetter en getierelier van al die gevederde onverlaten – terwijl er doden vallen – de branie van merels en mussen en nog het meest het lef van de door mij hartsgrondelijk verfoeide schijtlaarzen van houtduiven. Vooral die laatsten dwingen tot tegenmaatregelen. Ter bescherming van het tuinmeubilair en ons aller gezondheid ga ik aan de slag met zeep en chloorhexidine, Trump achterna. Schrobben maar, niet drinken, sufferd.

Niet dat ik denk besmetting of pandemie daarmee te kunnen afwenden. Het leven is een virus dat blijft woekeren tot de dood erop volgt.

Want kijk, terwijl in ziekenhuizen COVID-19 met man en vrouw bekampt wordt, viert daarbuiten het leven hoogtij, stort zich uit in eindeloze veelvormigheid, iedere boom zijn blad, elke vogel zijn eigenste veren. Iedere liefde opnieuw uitgevonden. Een uitbraak van leven, niet te stelpen.

Maar op onze schermen, ’s avonds, kijken we geschrokken naar die arme ic-patiënten. Ze liggen aan de beademing, op hun buik, met slangetjes vastgehaakt aan het leven. Ze zijn in coma, ze weten helemaal niet hoe ze daar liggen, met de billen bloot. Hun longen worden ons in röntgenfoto’s getoond, ter afschrikking neem ik aan, of anders toch tot lering en vermaak. Ze zijn omringd door gezichtsloze onbekenden, ze zullen eenzaam en ontmenselijkt sterven, deze onaanraakbaren, de besmettelijken.

Hoe hartverscheurend moet dat zijn voor wie achterblijft, letterlijk, want bezoek niet toegelaten.

Geen laatste radeloos oogcontact, geen troostende handoplegging, geen liplezen van een laatste verzoek, geen gefluisterd liefdeswoord.

Zo goed dat het anders was, nu 10 jaar geleden, in een lente als deze, toen wij, toen ik, in een ic-bed in een Brussels ziekenhuis, afscheid moest nemen van mijn man, Jan Wauters, VRT-sportreporter en columnist. De zon scheen op het witte laken, de vertrouwde radio speelde in sourdine, er was het geruststellende geroezemoes van familie en op tv speelde Clijsters tennis, voor hem alleen. We waren er allemaal bij die laatste dagen, uren. Dat mocht. Hij stierf van een gebroken hart. En dat is nu eenmaal niet besmettelijk.

Beluister de column van Thérèse Wauters

Lees ook

Radio 1 Select