"Het is perfect normaal als je 's avonds, gedurende kilometers lang op elke lantaarnpaal een ooievaar ziet zitten"

13 juni 2020
Decennialang was de ooievaar een zeldzaamheid, maar nu is hij helemaal terug! En dat is mede te danken aan ooievaarkenner en bioloog Kris Struyf. Hij was een van de mensen die ervoor heeft gezorgd dat er in Planckendael een ooievaarsdorp kwam.

Laat ons allereerst een misverstand uit de wereld helpen: ooievaars eten helemaal niet zo vaak kikkers of vissen als je zou denken. Ooievaars zijn opportunisten die eten wat ze voor zich op zien springen. Aangezien vissen en kikkers vaak heel snel zijn, is het dus een misvatting dat ze dat veel zouden eten. Een ooievaar is aan de luie kant, dus enkel als het water laag staat en de vis makkelijk te vangen is, zullen de vogels zich te goed doen aan deze lekkernijen. Hun belangrijkste voedsel zijn grote insecten en regenwormen.

Voor Struyf werd de ooievaar boeiend toen hij voor een dienstreis in de Elzas een grote groep van de vogels zag cirkelen tegen een staalblauwe lucht. "In de natuur ging het toen heel slecht met de ooievaar, maar men was aan een inhaalbeweging bezig door in verschillende landen een steunproject te starten, de zogenaamde ooievaarsdorpen", vertelt Struyf in 'Interne Keuken'.

Die reddingsoperatie is te danken aan een Zwitser, Max Bloesch, zo vertelt Struyf. "Bloesch had thuis een vogelasiel en soms kreeg hij daar ooievaar binnen. Als hij die vogel zo'n drie jaar lang had verzorgd bij hem en dan terug vrij liet, dan bleef de vogel altijd rondjes vliegen rond zijn huis. Zo heeft Bloesch ontdekt dat de ooievaar zijn trekdrang dan wel mag meekrijgen van in zijn ei, maar dat hij diezelfde trekdrang opnieuw verliest als hij er een paar jaar niet naar luistert." Toch is het ook zo dat bij sommige ooievaarssoorten de trekdrang wordt aangeleerd door de ouders aan hun jongen en niet altijd genetisch bepaald is.

Wanneer in augustus de ooievaars de trekkriebels beginnen te voelen en in groep over andere dorpen vliegen, trekken ze zo ook andere ooievaars aan om mee te vliegen. 's Avonds moeten de groepen dan op zoek naar een slaapplek en die zoeken ze meestal behoorlijk hoog in de lucht. "Ik krijg soms de vraag of het normaal is dat langs een autosnelweg, kilometers lang op elke lantaarnpaal een ooievaar zit. Maar dat is dus wel degelijk normaal", aldus de bioloog.

De dieren trekken naar Afrika en doen dat aan de hand van autowegen die ze volgen, de stand van de zon en geuren. "Het blijft een hele kunst", zegt Kris Struyf daarover.

Beluister hier het volledige gesprek:

Lees meer:

Lijst van artikels

Radio 1 Select