“Iedereen heeft iets waar hij of zij in kan uitblinken”

30 maart 2017
Belgisch voormalig atleet Hans Van Alphen, Belgisch recordhouder in tienkamp en ‘Adonis van de lage landen’, is een laatbloeier. Hij was pas 23 toen hij aan een professionale sportcarrière begon die hem uiteindelijk een vierde plaats op de Olympische Spelen en twee Golden Spikes zou opleveren.

Als kind van zeven of acht begon Hans met atletiek en tijdens de tienerjaren was hij naar eigen zeggen 'behoorlijk goed' bij de jeugd op Belgisch niveau. “Maar internationaal stelde dat helemaal niets voor. Ik heb dus ook nooit gedacht: die Olympische Spelen of zelfs internationale kampioenschappen, dat is iets voor mij. Totaal niet.”

Hans bleef steeds onder de radar. “Er werd een ontwikkelingslijn uitgestippeld door de coaches. Presteerde je op of boven het niveau van die lijn, dan kwam je in aanmerking voor ondersteuning of een betaalde stage. Maar ik ben er steeds onder gebleven.” Op zijn achttien koos Hans er dan ook voor om kinesitherapie te gaan studeren en de atletiek te laten voor wat die was.

Het was het succes van de Brusselse atleet Frédéric Xhonneux dat Hans aan het eind van zijn studies ineens wakker schudde. Hans kende Frédéric uit zijn jeugdjaren en het was niet bepaald een atleet van wie hij dit verwacht had. “Dit kan oneerbiedig klinken, maar ik dacht: als hij dat kan, dan moet ik dat misschien ook wel kunnen.” Hans stond dus voor een keuze: “Ofwel word ik kinesist en kan ik de volgende 35 of 40 jaar daar mijn carrière in uitbouwen. Ofwel probeer ik te ontdekken wat in dit lijf zit. En dat vond ik toch boeiend om te ontdekken.” Hij gaf zichzelf twee jaar om zoveel mogelijk te trainen om het professionele circuit binnen te kunnen raken.

Zo begon Hans’ carrière als internationaal topatleet. Zeven jaar na zijn start verbrak hij het Belgische record in de tienkamp en stond hij op de Olympische Spelen, waar hij net naast een podiumplaats greep.

Er zit volgens Hans dus vaak meer in iemand dan die zelf beseft. “In elke persoon zit iets en dat hoeft daarom niet sportief te zijn, maar als je echt ergens voor gaat en je erop toelegt, dan kan je heel veel bereiken. Maar je moet een drive hebben. Als je die drive vindt, dan gaat iedereen wel iets hebben waarin die kan excelleren. Daarom niet de allerbeste, maar alleszins heel erg goed.”

Hoewel Hans beweert dat hij als jonge atleet in zijn kinder- of tienerjaren nooit droomde van de Olympische Spelen, bewijzen recente vondsten op de zolder van zijn ouders zijn ongelijk. “Ik kwam tekeningen en gedichten tegen uit de lagere school. Verrassend veel tekeningen waar Olympische ringen opstaan of drie mannen op een podium, iemand die door een finishlijn loopt.”

Ik was dus blijkbaar - dat weet ik nog maar pas - veel meer bezig met de Spelen dan ik dacht.

Vijftien jaar lang zijn die dromen dus op de achtergrond verdwenen. “Maar zelfs al zit het diep, het komt eruit als je wil”, vat Annemie Peeters samen.