"Ik ben een witte man van middelbare leeftijd, maar identificeer me als pechvogel"

17 september 2021
Kinderen kunnen soms gevaarlijk gevat zijn. Dat ondervond Bas Birker wanneer de schoorsteenwerker langskwam en zijn dochter een opmerkelijke vaststelling deed. Beluister zijn middagjournaal hieronder.

Liefste landgenoten,

Woke zou ik mezelf niet noemen. Sterker nog; niet eens links. Wel tolerant. Van mij mag iedereen, met elke andere volwassen mensachtige alles doen. Al ben je een panseksueel feminien transpersoon die zich identificeert als Syrische dwerghamster, van mij mag het. Zolang je maar tegen een grapje kunt. Maar niets menselijks is mij vreemd. Ik struikel ook wel eens over de letters LHBTQI+, en vraag me dagelijks af of het niet beter zou zijn om dat dyslectische alfabet te vervangen door het woord ‘mens’. Lijkt mij inclusiever, maar wie ben ik? Of wat.

In onze vrijzinnige opvoeding zijn zaken als gender, seksualiteit en huidskleur dan ook totaal geen taboe. Op één gatenkaas van een verhaal na: Hoe komt het roet op de tot slaaf gemaakte assistent van een niet nader te noemen heilig verklaarde bisschop uit Myra. U zult zelf even moeten destilleren waar mijn cryptische omschrijving op doelt, luisteraars, want misschien luistert uw kroost in quarantaine mee. Ik wil u niet opzadelen met nog meer levensvragen. U heeft het al zwaar genoeg. U woont in België.

Doorgaans ontwijk ik het “zwarte verbrandingsresten op het gelaat vraagstuk” als een pro. Maar soms word ik rechts ingehaald. Gisteren was soms. De schoorsteenveger kwam. En dus haalde ik ‘s ochtends de houten ombouw van de schouw. Binnen de seconde stond mijn zevenjarige naast me. Ze wees naar drie blootgelegde rookkanalen. ‘Zie je wel. Die past daar toch nooit doorheen!’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Maar hoe komen die presentjes dan in de living,' vroeg ik. Dochterlief keek vastberaden. ‘Ze hebben een hamertje voor de deur.’ En ze vertrok naar school.

Crisis afgewend. Dácht ik. Want toen om half drie de bel ging voorzag ik een nieuwe. Voor mij stond een donkerzwarte man. Zijn enorme bos dreadlocks was gevangen in een zogeheten bonnet, zo’n haarzak met de inhoud van een babybadje.
‘Ik kom voor de schoorsteen’, sprak hij. ‘Ik zie het’,' zei ik, snel wijzend naar zijn camionette. Ik kon alleen maar bidden dat hij klaar zou zijn vóór mijn oogappel thuis was. Maar als het aankomt op geluk behoor ik wel tot een dyslectisch alfabet. Ik bén een witte man van middelbare leeftijd, maar identificéér me als pechvogel. Voelt u het al komen?

Mijn dochter kwam de living binnen op het moment dat de schoorsteenveger zijn hoofd uit de schoorsteen haalde. ‘Hallo prinsesje,' sprak de vakman. ‘Hallo,’ zei de zevenjarige verlegen, om dan aan mijn mouw te trekken. Ze wees, zoals alleen kinderen dat zo heerlijk onopvallend kunnen. ‘Zie je wel! Dat past toch nooit! Zijn haar is veel te groot!’