“Ik ben soms meer coach geweest dan galerist”

2 december 2018
In Antwerpen is er al een halve eeuw een galerie die stilaan aan het uitgroeien is tot een instituut. Al die tijd werd De Zwarte Panter met veel liefde tot een kunsttempel geboetseerd door één man: Adriaan Raemdonck. En vijftig jaar De Zwarte Panter, is vijftig jaar vriendschap, zo blijkt uit het gesprek in Touché.

Adriaan Raemdonck kwam in Antwerpen aan als een jongeman met kunstenaarsambities. Hij groeide op in een Brabants dorpje, en had werkervaring opgedaan als decorbouwer bij de VRT. “Maar in Antwerpen, daar was het echte leven.” In een gebouw waar vroeger een bordeel was geweest, richtte hij in 1968 kunstgalerie De Zwarte Panter op.
Adriaan studeerde zelf aan de kunstacademie. “Maar ik liet mijn eigen kunstenaarsambities varen toen ik Fred Bervoets zag schilderen. Hij kwam ooit enkele tubes verf lenen, en spoot ze in geen tijd leeg op een doek. Ik moest mijn meerdere erkennen.” Raemdonck is tot op vandaag bevriend met de bekende schilder Bervoets. “Het is bijna zoals een huwelijk, inclusief de ruzies.”

Café De Muze

Fred Bervoets was maar een van de vele kunstenaars waar Raemdonck in zijn lange carrière mee zou optrekken. Er was een levendige Antwerpse kunstscene rond Café De Muze. Raemdonck bouwde er als galeriehouder intense relaties op met artiesten.
Zo was er Ferre Grignard, de bekende zanger schilderde ook. “Ik bezocht ‘m samen met Bervoets. We namen altijd whiskey mee. Ferre had het moeilijk, maar we stimuleerden hem om te schilderen. Zijn financiële problemen zijn ook de reden waarom ik later met de overheid gaan onderhandelen ben voor een beter kunstenaarsstatuut. Er is veel verbeterd, vroeger was dat het Wilde Westen.”

Raemdonck was nauw betrokken bij de dood van Grignard. “We hebben hem begraven op het Schoonselhof. Net zoals vele anderen uit mijn steeds dikker wordende map met doodsprentjes. Mensen die daar nu broederlijk naast elkaar liggen, waren in leven nochtans niet altijd de beste vrienden.”

Grote kunstenaars sterven nooit

En dan was er Jan Cox, nog een belangrijke twintigste-eeuwse kunstenaar. “Hij kwam uit Amerika, en bracht spannende verhalen mee. De dingen die hij vertelde, waren vernieuwend.”
“Cox had grote artistieke ambities. Maar hij was naast erudiet, ook soms depressief. Zijn zelfdoding doet nog altijd pijn.”
Raemdonck moest dus afscheid nemen van veel van zijn kunstenaarsvrienden. Hoe moeilijk is dat? “Grote kunstenaars sterven nooit. Je ziet ze niet meer, maar ze zijn er nog. Als je een Rubens ziet in het museum, denk je niet aan de dood.”

Onzeker bestaan

Tegelijkertijd relativeert Raemdonck de romantiek van het kunstenaarsbestaan. “Er wordt ongelooflijk veel van je verwacht, en veel zaken zijn al eens gedaan. Voeg daar dan nog maar iets aan toe. Het is ontzettend moeilijk en onzeker. Na de euforie als je iets creëert, komt voor velen de twijfel. Jan Cox werd er ziek van, hij kon bijna geen enkele vernissage van zijn werk meemaken.”

“Ik ben soms meer coach geweest dan galerist. En veel partners van kunstenaars verwijten hen dat ze te veel bij mij zaten. De weduwe van Cox leek zelfs van mening dat ik haar man had afgepakt.”

“Als je je persoonlijke vrijheid hoog in het vaandel voert”, besluit Raemdonck, “moet je een geweldige discipline hebben. Kunstenaar zijn is fantastisch, maar je moet mentaal en fysiek ijzersterk staan.”

Herbeluister de uitzending (deel één en twee)

Lees ook: