Joodse humor

12 september 2020
Een Joodse man rent Antwerpen Centraal binnen en mist nét de trein van tien over vijf. "Wanneer is de volgende", vraagt hij buiten adem aan de stationschef. "Om half zes", antwoordt die. "Ok, doe er mij een om twintig over vijf en ik neem hem".

Joden lachen met zichzelf, dat is alvast één kenmerk van joodse humor. Ludo Abicht heeft er een boek over geschreven. Dat zal een soort moppenbundel zijn, dachten we op de redactie.

Een liberaal-joodse vrouw die al lang niet meer in de synagoge is geweest gaat met haar kinderen naar zee. Haar jongste zoon speelt in een rubberbootje. Een grote golf sleurt hem over boord, de diepte in. "Heer God van Israel, ik heb niet vroom geleefd, maar ik weet dat Gij alleen mijn kind kunt redden. Help me!" Stilte. "Heer, Gij die voor alle kinderen van Israel zorgt. Reken de zondigheid van zijn moeder niet aan en red het kind!" De zee werpt het kind weer op het strand. De moeder bekijkt het kind en richt zich weer tot God: "Daarnet in het bootje had hij zijn nieuwe petje op. Waar is dat?"

Voor Ludo Abicht aan de grappen begint, schetst hij de context waarin die joodse humor is kunnen ontstaan. Er staan grappen in het boek, maar daar gaan een paar uitgebreide, zeer interessante culturhistorische hoofdstukken aan vooraf. Over het joodse mens- en godsbeeld en over joodse mystiek.

En ergens in het boek staat ook het zinnetje dat je je als niet-jood geen illusies moet maken: als niet-jood kan je nauwelijks vermoeden waar het werkelijk over gaat. We gaan het morgen, de dag van de sabbat, toch proberen.

 

Beluister het volledige gesprek :

Radio 1 Select