“Jonge man, jouw armen zijn te kort om te boksen met God”

15 oktober 2018
Auteur Lieve Joris heeft de wereld rondgereisd, maar ging terug naar haar wortels in haar laatste boek ‘Terug naar Neerpelt’. Daarin vertelt ze over haar drugsverslaafde broer Fonny.

“Via het boek probeer ik te begrijpen waarom Fonny steeds meer de dieperik in ging”, vertelt Lieve Joris. “Het was zo onontkoombaar als een Griekse tragedie. Het begon mooi. Hij had talent, hij was muzikaal, hij was geliefd. Mensen keken op als hij ergens binnenkwam. Met zijn band speelde hij op Jazz Bilzen, maar dat was alleen maar het begin in zijn ogen.”

Als kind en als puber keek Joris erg naar haar broer op. “Hij was gestopt met school, had tijd om naar de radio te luisteren. Hij ontdekte The Velvet Underground, Bob Dylan, Andy Warhol, Leonard Cohen. Hij liet het me horen op zijn kamer. In die tijd had hij lang haar en liep hij met een gitaar over zijn schouders. Hij bracht de grote wereld naar dat kleine dorp.”

De leegte die hij voelde binnen zichzelf, vulde hij op met drugs

“Maar ook toen hij nog jong was, kwam hij zijn afspraken niet na. Hij was zo druk als kind. Hij was niet te houden op school, barstte uit het dorp. Mijn vader probeerde alles: een gitaar kopen, een brommer. Nu hebben we termen voor zijn gedrag: adhd, bipolair, persoonlijkheidsstoornis, ... Maar in een Limburgs dorp in die tijd… Achteraf zochten we naar een verklaring. Had hij een licht zuurstoftekort gehad bij zijn geboorte?”

Manipulatief

Fonny raakte verslaafd aan drugs. Hij experimenteerde eerst op een onschuldige manier, maar maakte op zijn 25ste kennis met heroïne. “Toen was er geen weg meer terug”, vertelt Joris. “Hij had geen doorzettingsvermogen en ontdeed zich van maatschappelijke verplichtingen. De leegte die hij voelde binnen zichzelf, vulde hij op met drugs.”
Fonny had ook een manipulatieve kant. “Hij duwde de aandacht van zichzelf weg, kleineerde mensen. Altijd was het de schuld van de buitenwereld.”

Ook de vrouwen in Fonny’s leven merkten dat. “Ze werden aangetrokken door zijn flair en charme, maar gingen uiteindelijk weg. Toch waren er ook sterke vrouwen bij. Met één ervan kreeg hij een dochter. Als je ziet hoe zo’n kind moet opgroeien begrijp je nog beter het belang van gekoesterd te worden. Fonny was narcistisch, egoïstisch. We probeerden hem te doen afkicken. Tevergeefs. Naar mijn ouders bleef hij terugkeren. Ze waren de enigen op wie hij kon terugvallen.”

Maar ook zij konden het tij niet keren. “Ik herinner me nog een dichtregel die mijn vader af en toe voorlas: ‘Jonge man, jonge man, jouw armen zijn te kort om te boksen met God’. Het is de eerste regel van het gedicht ‘De verloren zoon’ van Anton van Duinkerken. Dat zegt het helemaal. De armen van mijn ouders waren te kort om te vechten tegen dit grote, moderne drama.”

Opluchting

Fonny zou sterven aan een overdosis. “Op het einde had ik medelijden met hem. Hij was gedreven door zelfhaat, alles om hem heen moest stuk. Het was moeilijk voor hem om zich te realiseren dat hij niets was geworden. Ik heb tijdens de research voor mijn boek een brief gevonden waarin mijn moeder schrijft dat het beter zou zijn als hij zou sterven. Schrijnend, die wanhoop. Zij voelde goed aan dat hij zijn weg niet kon vinden, in tegenstelling tot haar andere acht kinderen.”

Ook voor Joris zelf was de dood van haar broer een vorm van opluchting. “Ik was in Congo toen ik het hoorde. Ook al heeft mijn vader zich, geheel volgens zijn natuur, verzet tegen zijn dood, ik weet nog dat ik dacht: nu zijn mijn ouders vrij.”
Zelf ging Joris reizen, veel en ver. “Ik wist dat ik uit de buurt van Fonny en Neerpelt moest blijven om iets van mijn eigen leven te maken. Maar in al die verre landen ging ik altijd op zoek naar rebellen, dissidenten. Nu realiseer ik me: op een indirecte manier was ik altijd op zoek naar Fonny.”

 

Radio 1 Select