Kunnen we eens stoppen met de ‘Ja, maar’ a.u.b?

10 juli 2020
©Jose Antonio Gallego Vázquez (via Unsplash.com)
Communicatiestrateeg Peter Verbiest hoopte dat de coronacrisis een kans was om de samenleving te resetten. “Maar dreigen de maatschappelijke, mogelijke veranderingen nu stil te vallen?", vraagt hij zich af. En willen we wel terug naar het oude normaal?

De coronacrisis wees ons met een klap op de zwaktes van onze economische en sociale systemen. Het leek een historische kans om de samenleving te resetten, om niet terug te gaan naar een samenleving waarin wordt geïnvesteerd in fossiele brandstoffen, waarin de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt en ‘identity politics’ totaal zijn ontspoord.

Maar een maand na het grootste anti-racismeprotest in onze geschiedenis dreigt alles weer te worden zoals het was. Ondertussen is ook de wereldwijde CO2-uitstoot weer bijna terug op zijn oude niveau. Structurele veranderingen lijken steeds verder uit het oog te verdwijnen, en het wordt weer pijnlijk stil. Na de crisis zijn we allemaal toe aan vakantie, de wereld redden komt nu even minder goed uit.

Wat ons tegen houdt om echt te veranderen? Ik noem het de ‘Ja, maar’.
Ja, natuurlijk moeten we inzetten op duurzame industriëen, maar laat ons nu eerst gewoon alle bedrijven redden. Ja, natuurlijk is racisme een probleem, maar je moet ook zelf de kansen maken en grijpen. Ja, natuurlijk moeten Belgen met migratie-achtergrond een gelijkwaardige behandeling krijgen op de arbeidsmarkt, maar dan moeten ze wel eerst perfect Nederlands spreken.

Herkenbaar? Het is blijkbaar heel lastig om dezelfde mening te delen met iemand die niet tot hetzelfde kamp behoort, en noodzakelijke veranderingen te omarmen. Onmiddellijk komt de ‘Ja, maar’. Die Ja, maar’ wordt nauwelijks gebruikt om nuance te brengen. Wèl om direct aan te geven dat men het er niet mee eens is, om af te remmen. Wat de andere vindt of voelt, doet er niet meer toe. Met de ‘Ja, maar’ is direct een ander kamp gecreëerd.

Waarom die ‘Ja, maar’?
De mens is een angstig wezen. Ook al doen activisten al jarenlang zware inspanningen om ongemakkelijke, maar noodzakelijke thema’s op de agenda te krijgen, toch plooit de gematigde mens zich steeds opnieuw in bizarre bochten om die thema’s onterecht, ongepast of onnodig te vinden. De angst voor verandering blijkt steeds groter dan de afkeer van het probleem dat wordt aangekaart.

Maar het is meer dan angst. Filosoof Bart Brandtsma noemt het een biologische reflex die we allemaal hebben. Als iemand zegt ‘ik vind’ , gaat de toehoorder quasi automatisch zeggen ‘ik vind’. Of beter ‘ja, maar ik vind’. Het heeft het voordeel van het zwart-wit denken. Je maakt er direct het onderscheid van voorstander-medestander mee.

Het wordt onmiddellijk zonneklaar dat je tot een andere groep behoort. En dat geeft zekerheid, want in een discussiesituatie ben je liever omringd door medestanders dan dat je tussen twee vuren zit. Alleen leidt het er toe dat de discussie gemakzuchtig verhardt, dat mensen niet gehoord worden, dat er niet geluisterd wordt. ‘One thing that makes people crazy is being told that the experiences they have, did not actually happen’, schrijft de Amerikaanse maatschappelijke auteur Rebecca Solnit in ‘Recollections of my Nonexistence’.

Hoe trap je niet in die val van de ‘Ja, maar’?
Niet door je kennis van de problematiek te vergroten. Ruben Mersch refereert in ‘Waarom iedereen altijd gelijk heeft‘ naar een onderzoek van de Amerikaanse professor Dan Kahan. Die stelde vast dat een grotere feitenkennis niet leidt tot meer convergentie in meningen, maar net tot het omgekeerde.

Meer kennis is dus niet de sleutel om onze meningsverschillen over klimaatopwarming, racisme of armoede op te lossen. Feiten worden immers onbewust geselecteerd om het eigen denkkader te ondersteunen.

Waar liggen dan wel de sleutels om aan de ‘Ja, maar’ te ontkomen?
Deep Democracy, een inclusieve methode ontwikkeld om tot verzoening te komen in Zuid-Afrikaanse bedrijven na de apartheid, pleit voor een nieuwsgierige opstelling, voor een eerlijk super-luisteren, opdat de andere echt gehoord kan worden. Ze vertrekken hierbij steeds van de verzuchtingen van de minderheid om te komen tot een verhaal dat kan gedragen worden door een bredere meerderheid.

Patrick Loobuyck heeft het in ‘Samenleven met Gezond Verstand’ daarnaast over het belang van wederkerige empathie. Wederkerige empathie betekent dat je niet direct uitgaat van wat jij vindt en voelt, maar dat je je oprecht in de plaats tracht te stellen van de anderen. Dat je je inbeeldt wat wat hij of zij vindt maar ook vooral wat hij of zij voelt.

Door je het lot van de ander aan te trekken, ga je de noodzakelijke verbinding creëren. Ik kan het niet beter uitdrukken met wat ik onlangs zag verschijnen op sociale media naar aanleiding van Black Lives Matter: I’m not black but I see you, I’m not black but I hear you. I’m not black but I fight for you #Black LivesMatter .

Bart Brandtsma benadrukt nog een derde sleutel om niet in de onmiddellijke ‘Ja, maar’ te vervallen. Hij roept op om uit de polarisatie te stappen, en je echt af te vragen: Waarover gaat het hier? Wat is het werkelijke vraagstuk? Wat is de vis die onder het water zit? Waar ligt de kans? Toen Bart Somers enkele jaren geleden ondernemers opriep om arbeidsplaatsen aan nieuwkomers aan te bieden was zijn herdefiniëring van het vraagstuk duidelijk: het ging hier niet over afkomst, maar over toekomst.

Hij trachtte niet om bruggen te bouwen tussen de ‘Ja, maars’ van de verschillende groepen (werkgevers en nieuwkomers), maar toonde voldoende beeldend vermogen om het thema op tafel te leggen waar het werkelijk om ging: hoe zorgen we voor de toekomst van iedereen?

Zullen we op vakantie gaan met de idee om minder naar de ‘Ja, maar’ te grijpen?
Om wat meer te luisteren, wat meer empathie te tonen, en met wat meer verbeelding te zoeken naar waar het werkelijk om gaat? En uiteindelijk tot een nieuw en beter idee van de samenleving te komen?

Peter Verbiest
Communicatiestrateeg voor maatschappelijke verandering.
Bonka Circus

Lees ook: 

Radio 1 Select