"Lang leve de Blankenbergse zee! Lang leve de Belgische kust!"

13 februari 2018
Foto©Belga
Een echte derby der Lage Landen is het geworden. Nederlanders zeggen: Belgen zoeken de Nederlandse kust op, want die van hen is spuuglelijk. Een uitspraak die het tot The Guardian haalde. Maar wij Belgen dienen hen van antwoord. De stad Knokke zegt, "het is hier wél mooi", Philippe De Backer dat onze frieten beter zijn. Dichter Christophe Vekeman heeft zo een eigen poëtische manier om de schoonheid van de Belgische kust te bezingen. Geniet mee.

"Blankenberge, Blankenberge, wonderschone stad", zo zong Hugo Matthysen ooit,
maar ik vrees dat dat ironisch bedoeld was. 

Het is dan ook al minstens mijn leven lang in de mode
om op de nuffigst denkbare wijze laatdunkend te doen
over Blankenberge in 't bijzonder
en de Belgische kust in het algemeen,
een gewoontetje dat heden zelfs de Moerdijk blijkt te zijn overgestoken
en zowaar een hoogtepunt gevonden heeft in een schaamteloos brutale uitspraak
van de woordvoerder van een Nederlandse natuurvereniging,
namelijk dat voornoemde kust domweg 'om te janken' zou zijn. 

Aan de Nederlandse kust, daarenboven, zou zich
wanneer wij de Björn van den Boom geheten nonsenspolemist in kwestie moeten geloven, tenminste
een paradijs van natuurpracht en praal situeren,
dat in toenemende mate wordt bevolkt, weliswaar, door Belgen.

Door 'al die Belgen', zelfs,
zoals Van den Boom het tot uitdrukking beliefde te brengen,
daarmee fijntjes te kennen gevend wat hij in zijn vrije tijd van de betreffende,
kennelijk niet héél erg welgekomen ordeverstoorders zoal pleegt te denken.

Jeminee, zeg, wat hebben we nou weer aan ons fietsie hangen?
Hoe op zoveel onzin te reageren?

Mijn jongere zelf zou het, danig in de wiek geschoten,
zekerlijk niet nagelaten hebben om de handschoen op te pakken
en een ware kuststrijd in leven te roepen of
althans aan te zwengelen door er driftig op te wijzen, bijvoorbeeld,
dat ik ooit één keer aan de Nederlandse zeekant heb verbleven,
één keer, anderhalve dag lang meer bepaald,
waarna ik met spoed werd opgenomen in een inrichting daar ik dreigde te sterven van verveling.

Toen ik vrijgelaten werd, belandde ik in de gevangenis
omdat ik helaas betrapt was op het op het strand verleggen van een handvol zand,
en de zucht van verlichting die ik slaakte, kortom,
toen ik eenmaal weer thuis was, daar kon,
geloof me vrij,
geen flinke zeebries tegenop.

Maar goed,
ik ben ouder en ik ben bedaarder inmiddels,
zodat ik thans uitdrukkelijk níét de neiging gewaarword
als een aandachtzieke peuter te gaan zitten kakken
op de oevers van een mij al met al zeer welgevallig buitenland.

Ik verkies mij louter te beperken, nu,
tot een kort fragment uit een verhaal dat ik ooit schreef,
een verhaal dat 'Blankenberge' is getiteld, naar de stad waar ik,
Gentenaar zijnde, elk jaar opnieuw mijn verjaardag ga vieren,
de stad van leven en stilte,
de stad waar gedronken,
gegeten,
gelezen,
gegokt,
verloren en herboren wordt,
een stad vol echte mensen ook,
een stad naar het hart van elkeen die het hart
op de juiste plek zitten heeft.

Het fragment gaat als volgt:

"Het mooiste deel van ons land is de zee,
viel hem in,
en hij begon nagenoeg te hollen nu,
terwijl het zich eveneens liet voorstellen, vond hij,
dat de zee op haar beurt naar hem toe trachtte te klauteren,
zich met hart en ziel en smachtend alsmaar in zijn richting
over 't strand heen werpend
op de wijze van iemand die met reikende armen
en in volle vaart op zijn langverbeide geliefde toe struikelt."

Laat Björn van den Boom dus gaarkoken
in eigen nat,
en laten wij kiezen voor de liefde en de schoonheid die er is.

Lang leve de Blankenbergse zee!
Lang leve de Belgische kust!