Lucht - Paul Demets

25 februari 2017
Paul Demets
Vorig weekend kregen alle standbeelden in Brussel een mondmaskertje. Tegen de luchtvervuiling. De file en de smog inspireerden Paul Demets tot het Bonusgedicht van deze week.

Lucht

We schuiven aan en kijken. Bumpers zoeken afstand.
We zitten onze rijtijd te bepalen. Onze gezichten
zijn geschroefd en van metaal. Op duizend ramen moeten we ons

verkijken. Eenparig rechtlijnig worden we bewogen. Zo blij
dat niemand ons kent. En worden kleuren gewaar. Iemand grijpt
in een zakje en blijft in de leegte graaien. Op een scherm branddamp

en bloedwalm. Iemand doet zijn ellenbogen groeien. Hij laat ze op zijn dashboard
leunen. Iemand heeft reptielenhanden. Een meisje leest haar haren,
een wingerd waaruit ze twijgjes plukt. Dat we onbewogen blijven,

is ons enig verband. Maar een lied is een mogelijkheid. Het sluimert
nu nog in droge kelen. Het zit zich nog in het star voor zich uit staren
te verdelen. Het kent geen tijd, het houdt nergens halt en het zingt.

Het opent de deuren, vraagt om onze wagens achter te laten.
Het zuivert de lucht tussen ons, de landkaarten van onze longen.
Het stijgt ons naar het hoofd en doet afstanden verdampen.

Nieuwe wegen worden gebaand. We worden onze eigen Alpen.

Bonusgedicht Paul Demets 24-2-17