"Mensen kregen het beeld dat een jood geen mens is, dat je hem moet elimineren”

14 juni 2020
© Radio 1
De grootste collectie antisemitische propaganda ter wereld is in handen van een Belg: Arthur Langerman. Zijn familie werd tijdens de Holocaust uitgemoord, zijn moeder kwam getraumatiseerd terug en hij wilde de Jodenhaat proberen te begrijpen. 50 jaar en 10.000 stuks in zijn collectie later, schenkt hij alles aan Berlijn.

“Mensen stuurden vroeger vaak postkaarten met tekeningen. Veel ervan waren antisemitisch. Het zijn tekeningen, schilderijen en posters waar ze de Joodse mens minachten, en alleen maar het lelijke tonen”, vertelt Arthur Langerman in 'Touché'. “Ik verzamel die prenten vooral om te begrijpen. Om erachter te komen waarom Joden zo hard gehaat worden”, gaat hij verder.

Schaamte

“Mijn moeder zat in Auschwitz en heeft het overleefd, maar ze heeft er mij heel weinig over verteld. Wie terugkwam was beschaamd, want zij waren er nog, en hun familie niet. Bij mijn mama was dat ook het geval.”

“Ik wou het haar ook niet vragen. Haar leven was moeilijk genoeg, ik hoefde dat niet nog meer te verstoren. Ze trouwde twee keer opnieuw, steeds met iemand die een gelijkaardig onrecht had gekend, en er niet over wou spreken. Daardoor bleven de herinneringen bleven ook verborgen.”

Ik vind het een eigenaardig idee om een kind te willen tijdens een oorlog.

Langerman werd geboren op 21 augustus 1942 in Borgerhout, 7 dagen na de grote razzia in Antwerpen. “Ik vind het een eigenaardig idee om een kind te willen tijdens de oorlog, maar waarschijnlijk kwam het door de liefde en waren mijn ouders zich nog niet bewust van de ernst van de situatie. Een jaar eerder wist niemand dat er razzia’s gingen zijn en dat ze naar kampen gestuurd gingen worden.”

De ouders van Langerman bleven tijdens zijn eerste twee levensjaren onder de radar. “Ze spraken de taal goed, en spraken zelfs Duits. Ze zagen er niet uit als Jood en konden zich perfect mengen onder de rest van de bevolking.”

Maar in 1944 ging het helemaal mis. “Mijn moeder had een oude vriend die bij het Rode Kruis aan de slag was en pakketten gaf aan mensen die het nodig hadden. Hij vroeg of mijn moeder ook nood had aan een pakket voor haar kind. Ze gaf haar adres.”

“Even later werd die man opgepakt door de Gestapo, en vonden ze zijn adresboek. Op 28 maart 1944 vielen ze binnen bij ons thuis, stuurden ze mijn ouders naar de Dossinkazerne in Mechelen en ik werd in La pouponnière Castro geplaatst. Daar werden alle Joodse kinderen verzameld. Ik was toen anderhalf jaar.”

La pouponnière Castro

Langerman had het geluk om daar te belanden. Tot 1943 werden kinderen met de ouders meegestuurd naar de kampen, maar in 1944 was de oorlog bijna gedaan en werden de Duitsers overtuigd door andere landen dat kinderen niet meegestuurd moesten worden naar het Oosten om te gaan werken. Er was toen nog niets geweten over de concentratiekampen. “De Duitsers waren van plan om op het einde van de oorlog alle kinderen te nemen en te sturen naar de kampen. Maar er zijn organisaties die de kinderen bij zich namen en beschermden in kerken en schuilplaatsen.”

De linkse groep ging meteen naar de gaskamer, de rechtse groep mocht werken.

"Mijn moeder vertelde me dat ze bij hun aankomst door een officier opgedeeld werden in groepen. Links en rechts. De linkse groep ging meteen naar de gaskamer, de rechtse groep mocht werken. Toen mijn moeder aan de beurt was zei de officier ‘links’, toen bekeek hij haar en zei hij plots ‘rechts’. Dat is het verschil tussen leven en sterven."

De moeder van Langerman mocht door een vriendin in de keuken van het concentratiekamp werken, en dat heeft haar leven gered. Zijn vader kwam om.

Eichmann

“In 1961 was er het proces Eichmann, en ik heb alles gevolgd en geleerd over wat er gebeurd was tijdens de oorlog. Achteraf vroeg ik me af wat de Joden verkeerd gedaan hadden om zo erg gestraft te worden.”

“Op vlooienmarkten zag ik af en toe tekeningen waar Joden op een antisemitische manier werden afgebeeld. Ik begon die te kopen en te zoeken naar de reden waarom de mensen Joden zo hard haten.”

Mensen kregen het beeld dat een Jood rijk is, dat het geen mens is, dat je hem moet elimineren.

“Ik verzamelde ondertussen al 6000 postkaarten. En er zijn er veel meer. In die tijd stuurden sommigen misschien drie keer per dag zo’n kaartje. We werden erop afgebeeld met een haakneus of dikke lippen. Een lelijk vuil wezen dat vergeleken werd met insecten, ratten en alles wat uitgeroeid moesten worden. Mensen kregen het beeld dat een Jood rijk is, dat het geen mens is, dat je hem moet elimineren.”

Onwetendheid

“Ik heb een soort van antwoord gevonden, en dat is onwetendheid. De meeste mensen kennen de Joden niet. Veel antisemieten die over Joden praten hebben nog nooit een Jood gezien in hun leven.”

We zijn mensen zoals de rest, maar we worden getypeerd door valse elementen.

“Slechts 17 procent van de Joden hebben een haakneus. Bij niet-Joden hebben ook 17 procent haakneuzen. We zijn mensen zoals de rest, maar we zijn getypeerd, door valse elementen.”

Tentoonstelling

“Mijn vrienden verklaren mij zot, hoe kan ik als Jood zo’n prenten verzamelen? De laatste jaren is het antisemitisme teruggekomen en er is opnieuw meer haat tegenover de Joden. Door die verandering ben ik aan meer mensen beginnen tonen waarmee ik bezig was, in de hoop dat het educatief zou zijn. Dat we aan de jongeren iets zouden kunnen tonen. De collectie is tentoongesteld in Frankrijk, daar kreeg ze 750,000 bezoekers. Nu is ze onderweg naar Berlijn.”

Beluister de volledige uitzending, in twee delen:

Radio 1 Select