"Misschien is het met vluchtelingen wel zoals met leren parkeren"

20 juni 2016
Het middagjournaal komt deze week van Lotte Dodion, dichter en directeur van het Vredescentrum. Haar debuutbundel "Kanonnenvlees" is onlangs verschenen en in derde druk.

Het is geen mooie dag.
Ik weet het, we zijn nog maar een paar uur bezig, maar toch.
Het wordt geen mooie dag. Vandaag is Wereldvluchtelingendag.

Sommige dagen zijn opgericht om te vieren zoals Werelddierendag, 4 oktober.
Dan vieren we hoe we wilde beesten tam hebben gekregen, geven we hen extra dure brokken en vieren we dat we minder alleen zijn.

Sommige dagen vieren we niet, maar staan we stil. Vandaag is zo’n dag.

Ik zit aan mijn bureau en kijk naar zwart-wit foto’s van Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog. Meer dan twee miljoen waren we. We trokken over grenzen, Frankrijk, Engeland, Nederland. We overspoelden de grensstadjes en rukten steeds verder op. In de kranten verschenen koppen die van nu hadden kunnen zijn: ‘ dat we kwamen profiteren, dat we bedreigend waren, losbandige katholieken, vaders, houdt uw dochters binnen.

Het was niet zo anders.

Het afgelopen jaar zijn we met het Vredescentrum naar lagere scholen getrokken.
We vroegen de leerlingen: ‘Wat zou ge missen als ge op de vlucht zou gaan?’
En ze tekenden het op postkaartjes die we naar Syrische kinderen in kampen in Turkije stuurden.
Ze wensten hun leeftijdsgenootjes lekker eten, genoeg te drinken,
Ipads, Playstations, een huisdier om vast te pakken.
Ze tekenden vaders en moeders, broers en zussen, muziekinstrumenten,
voetballen en tennisrackets.
Ze schreven blijf gezond of ‘kom maar bij mij wonen’.

Er is iets dat kapot in ons gaat als we ouder worden.

Als we klein zijn, weten we hoe we een kamp kunnen bouwen uit twee stoelen, wasknijpers en wat lakens; het is pas later dat we steeds meer nodig hebben om ons thuis te voelen, dat alles zo ingewikkeld wordt.

Van alle kinderen en alle kaartjes over het hele jaar was er eentje dat zei ‘ ga terug, er is geen plaats’. Robin was acht en volgens zijn ouders was er niet genoeg plaats.

Terwijl Robin dat zei, dacht ik aan hoe weinig plaats ik nodig heb. Het holletje van een oksel is genoeg om veilig te slapen, maar het vraagt wel dat iemand u met open armen binnen wil laten.

De vraag of er wel genoeg plaats is voor meer mensen is niet alleen iets van oppervlakte en statistiek, het is ook perceptie.

En misschien, heel misschien is het wel zoals leren parkeren: het lijkt zo krap, maar er is altijd meer plaats over dan ge denkt.

Beluister het middagjournaal van Lotte Dodion:

Radio 1 Select