Ode aan het utopisch denken

28 januari 2016
Het is vandaag Gedichtendag. De dag dat Maarten Inghels mag starten als stadsdichter van Antwerpen. Zijn eerste stadsgedicht is genaamd ’Proloog', en het is een ode aan de fantasie en het utopisch denken. Alsof het gepland is, want de Bende van Annemie doet deze hele week aan utopisch denken.

Luister hier naar de eerste strofe van het gedicht, voorgelezen door Jan Vanlangendonck.

Om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen rond het stadsdichterschap en om alle stadsgedichten van Maarten Inghels te lezen, zie zijn eigen website. Hier publiceren we alvast de volledige drie strofen van 'Proloog'.

PROLOOG

I

Ik hunker regelmatig naar een andere stad,
levend in de vele kamers van dit stenen hart.

Ik ken het kermende weer boven de uitgedoofde parken,
het oud zeer verkocht op de markten. Ik herken u en u en u.

Loop elke straat minstens één keer besluiteloos uit —
ik wil soms wanhopig afwezig zijn in uw midden.

Maar wat kleeft mij hier vast? Ik sneed een inkerving
in de stad en entte mezelf. Ik woelde de wonde open.

(Die dubbelzinnige wens om vuur te spuwen
en tegelijk de brandende benzine in te slikken.)

Het utopische verlangen om de boel te veranderen.
Voert een zondvloed mij ooit weg uit deze bocht van cement?

Bon, ça va, tant pis, het is hier vaak niet mis maar toch
schreef ik een alternatief scenario voor deze metropolis.

(Ook een lastig lief verdient het
om soms in ’t nieuw te worden gestoken).

II

De zon knip ik uit karton en ook de maan hang ik op.
Ik timmer een ark die begeerte heet, tegen het vergeten.

Verbouw de rivier tot een ondoorgrondelijke zee
waarin ik thee trek van mijn blozende verveling.

Morgen zadel ik een hommel. Hummend dirigeer ik
de optocht van sterrenbeelden en vleermuizen.

Uit de soep van asfalt groeien buigzame wolkenkrabbers.
Auto’s krimpen tot mieren. Bussen worden circuspony’s

en camera’s knipogende papegaaien. Inwoners zijn
cirkelende panters, tam happen ze naar elkaars staart.

Honden kakken goud, bomen klappen met hun takken.
Vanavond regent het hard als oorlog maar ik kus

alle dagdromende straatsoldaten. Ze transformeren
in gevlekte padden die eeuwig tapdansen rond lantaarnpalen.

’s Zondags laat ik bosgeluiden binnen. Mensen leggen
geheimen als eieren. De fabrieken slapen gapend in.

III

Ik moet nog vele mensen zijn, honderduit
van contrariteit getuigen in tongentalen.

Een blik mensen opentrekken en mezelf
als ontbrekende bewoner uitlenen.

Ik ben u en u en u. Ik ben een file
van personages met tekstballonnen.

Ik ben een meisje van vijftig, ik ben een gebelgde berber,
ongewenst en broos. Een foorkramer, doof en boos.

Of twee zeematrozen aan wal, woorddronken van een
vuile mop en het bepotelen van God in zwarte jarretelles.

Ik heb mij in de melk van de massa te wassen
en kijk door vensters naar de mensen die ik ben,

de zere plekken die ik eten geef. Wij zijn wandelaar
onder de wandelaars, verloren gelopen in elkaar.

Wij zijn de levende tijd. Wij hebben emmers
licht en lijm nodig, de heling van verbeelding.

© Pixabay.com

Radio 1 Select