Protontherapie, de nieuwe bestralingstherapie bij kanker: "Geen wetenschappelijk bewijs dat het beter werkt"

24 januari 2019
Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg vindt vooralsnog geen onweerlegbaar bewijs dat protontherapie bij kanker beter is dan de klassieke radiotherapie (bestraling).

Protontherapie (de meer algemene term is hadrontherapie) is een radiotherapie-techniek waarbij kankergezwellen bestraald worden met geladen deeltjesbundels. Dat kunnen protonen zijn, maar ook bijvoorbeeld koolstofdeeltjes. Het grote voordeel van die nieuwe therapie is dat de straling zeer precies in de tumor wordt afgeleverd. Het omringende gezonde weefsel voor, naast en achter de tumor krijgt geen straling, in tegenstelling tot de klassieke radiotherapie met fotonen, waar er meer omgevingsschade is. Protontherapie heeft daardoor veel minder bijwerkingen.

Protontherapie is erg duur. "Momenteel is er een beperkte lijst met indicaties waarvoor de behandeling terugbetaald wordt", legt Joan Vlayen, hoofdarts van het Sint-Trudo Ziekenhuis in Sint-Truiden, uit. "Het gaat om een aantal specifieke en zeer zeldzame oog- en hersentumoren, vooral bij kinderen. Elke aanvraag voor een terugbetaling wordt individueel beoordeeld door een commissie." In totaal gaat het om een 50-tal patiënten per jaar. Zij kunnen niet in ons land terecht omdat hier nog geen centra actief zijn, zij moeten naar het buitenland. Elke vraag tot terugbetaling wordt individueel beoordeeld door een commissie.

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (FKG) heeft nu een grondige analyse van de internationale wetenschappelijke literatuur over protontherapie laten uitvoeren en concludeert dat er voorlopig geen onweerlegbaar bewijs is dat de nieuwe techniek beter is dan de klassieke radiotherapie.

"We moeten het antwoord schuldig blijven"

Vlayen voerde de analyse uit in opdracht van het FKG. "We hebben studies onderzocht over de effectiviteit van hadrontherapie bij zes frequente kankers bij volwassenen, waaronder borstkanker, pancreaskanker, en hoofd- en halstumoren. Daarin hebben we onvoldoende bewijs gevonden voor de werkzaamheid en de veiligheid van hadrontherapie bij die zes specifieke kankers."

Meestal is er in dergelijk onderzoek sprake van randomised trials, gerandomiseerde studies waarbij patiënten willekeurig worden ingedeeld in een behandelgroep en een controlegroep. Het voordeel is dat je twee vergelijkbare onderzoeksgroepen hebt. "Maar wat hadrontherapie betreft, hebben we voor die zes specifieke kankers geen gerandomiseerde studies gevonden, enkel observatiestudies."

We kunnen niet bewijzen dat protontherapie werkt, we kunnen ook niet bewijzen dat het niet werkt

"Daaruit blijkt dat we het antwoord schuldig moeten blijven: we kunnen niet zeggen of hadrontherapie werkt, we kunnen ook niet zeggen of het niet werkt. Het FKG adviseert daarom om de huidige lijst van kankers waarvoor hadrontherapie wél al terugbetaald wordt, niet uit te breiden met de zes bestudeerde kankers."

Het Kenniscentrum beveelt aan om de huidige terugbetalingsprocedure, waarbij van geval tot geval wordt beslist, te behouden. "In het geval van de indicaties die nu terugbetaald worden, die zijn zo zeldzaam, hun aantallen zijn te klein om goede gerandomiseerde studies op te zetten. Dan moet je het doen met observatiestudies. Het is niet zinloos om dit individueel te beoordelen, als bijvoorbeeld klassieke radiotherapie niet gewerkt heeft. Die beoordelingscommissie kan en moet haar werk verderzetten."

Twee centra in opbouw, een goede investering?

Patiënten moeten voor hun terugbetaalde behandeling naar het buitenland omdat in eigen land nog geen centra actief zijn. De reis en behandeling van de patiënten in het buitenland worden volledig vergoed door het RIZIV, de overheidsdienst die instaat voor de terugbetalingen.

In Leuven en Charleroi zijn twee centra in opbouw. Maar daar hangt een stevig prijskaartje aan. Alleen al het centrum in Leuven kost zo'n 45 miljoen euro. Is die investering wel de moeite waard? "Om die vraag te beantwoorden, moet je in principe álle indicaties bekijken, en dat hebben wij niet gedaan", zegt Vlayen.

"Ons onderzoek spitst zich toe op zes indicaties, maar er zijn er nog veel andere, en andere waar het misschien wel kan werken. Of waar het zinvol is om er verder onderzoek naar te doen, dat kan ook in die centra. En dan hopelijk binnen x aantal jaar wél het bewijs te leveren."

Beluister het gesprek met Joan Vlayen:

Bron: vrtnws.be en 'De Ochtend'

Lees ook:

Radio 1 Select