"Snuiten in een katoenen zakdoek is als slapen in satijnen lakens: dat is ook aangenamer dan slapen in papieren lakens"

10 mei 2020
Tijdens de coronacrisis leerde Tom Heremans, columnist bij 'De Standaard', dat het einde van de katoenen zakdoek is aangebroken. En hoewel Heremans zelf al jaren fervent gebruiker is van papieren zakdoekjes, kreeg hij plots heimwee naar die stoffen exemplaren.

Lieven Scheire zei het vorig weekend op een bevriende radiozender: de corona-epidemie betekent het einde van de katoenen zakdoek. Weg met die smerige vodden, klonk het ongeveer, anders raken we nooit van dat virus verlost.

Het zou kunnen kloppen dat er een verband is tussen de verspreiding van corona en de katoenen zakdoek, als je ziet welke leeftijdscategorie het zwaarst getroffen wordt. Oude mensen, u moet daar eens op letten, hebben altijd een katoenen zakdoek bij zich. De mannen steken hem in hun broekzak, de vrouwen proppen hem, bij gebrek aan broekzak, in hun mouw. De zakdoeken van de mannen zijn ook altijd groter dan die van de vrouwen, waaruit we kunnen afleiden dat mannen meer snot produceren dan vrouwen. Of dat ze langer in dezelfde zakdoek blijven snuiten voor ze hem in de wasmand gooien, dat kan ook.

Zelf gebruik ik al jaren geen katoenen zakdoeken meer, ik gebruik papieren zakdoekjes zoals iedereen, en al die tijd heb ik er geen seconde meer aan gedacht. Tot die Scheire het dus nodig vond te zeggen dat we ze niet meer mogen gebruiken. Toen had ik er ineens heimwee naar. Snuiten in een katoenen zakdoek is namelijk als slapen in satijnen lakens: dat is ook aangenamer dan slapen in papieren lakens. Wacht, wat ik wil zeggen is: papieren zakdoekjes zijn vervelend; bij de minste verkoudheid snuit je er los doorheen. En als je vijf keer hebt gesnoten, is de huid van je neusvleugels zo rood geïrriteerd dat iedereen je bezorgd naar de ontwenningskliniek wil rijden. Het is dus niet hetzelfde.

Toch gebruik ik dus geen katoenen zakdoeken meer. Vroeger had ik er een hele lade vol van, maar ze zijn weg, god weet waarnaartoe. Wellicht heb ik ze ooit weggegooid, samen met andere dingen die in onbruik zijn geraakt: washandjes, witte sportkousen, cd’s van Coldplay, dat soort dingen.

Ik behoor, denk ik, tot de laatste generatie die is opgegroeid met de katoenen zakdoek. In de jaren 70 van de vorige eeuw kreeg je ze als kind nog geregeld cadeau. Je kon dan aan de platte vorm van het pakje al zien dat het zakdoeken waren, nog voor je het geschenkpapier er had afgetrokken. Je bleef altijd hopen dat het misschien toch iets anders was – een heel klein stripalbum, of desnoods een kalender, maar het bleken elke keer zakdoeken te zijn. Voor je plechtige communie kreeg je minstens één set van drie zakdoeken, met de sierlijke beginletter van je naam erop geborduurd. In mijn geval een T, dus. Ik herinner me dat ik er toen van een tante kreeg met de letter ‘P’ erop geborduurd. ‘Maar dat is een P’, zei ik, alsof het mij iets kon schelen, toen ik ze uit het pakje haalde. ‘Dat is de P van proficiat, jongen’, zei mijn moeder sussend. Maar door de manier waarop ze naar mijn tante keek, wist ik dat ze dat setje ooit zelf cadeau had gedaan aan de man van mijn tante, nonkel Patrick.

Ik kon overigens in die tijd de deur niet uitgaan zonder dat mijn moeder me nariep of ik wel een zakdoek bij me had. Dat vraagt nu geen enkele ouder meer aan zijn kind, maar binnenkort, als ze weer met de bus naar school mogen, zullen we ze wel vragen of ze hun mondmasker bij zich hebben. Wat me eraan doet denken: kunnen we al die overtollige katoenen zakdoeken in de woonzorgcentra, na grondige reiniging, niet gebruiken om er mondmaskers van te stikken? Ik wil er deze keer dan wel een met de letter ‘T’ erop geborduurd.

Beluister de column van Tom Heremans

Lees ook

Radio 1 Select