Statisticus die eerder al zomerse opflakkering voorspelde: "Rond 1 november kunnen we kentering beginnen te zien"

20 oktober 2020
© Nicolas Maeterlinck (Belga)
Het aantal besmettingen stijgt aanzienlijk en er zijn maatregelen nodig om te voorkomen dat de zorg kopje onder gaat. Tegen 15 november zou de maximumcapaciteit van 2.000 bedden op intensieve zorg bereikt kunnen zijn, "maar dat is het pessimistische model", zegt biostatisticus Kurt Barbé (VUB). "We hebben het al twee keer kunnen ombuigen, er is geen reden om te denken waarom we dat nu niet zouden kunnen." Rond 1 november zouden we volgens Barbé een kentering kunnen beginnen te zien.

De cijfers zijn al een tijdje aan het stijgen, en aan een aanzienlijk tempo, zegt Kurt Barbé, professor biostatistiek aan de VUB. Hij maakt deel uit van het team van professor Niel Hens, dat via wiskundige modellen het aantal verwachte ziekenhuisopnames in kaart probeert te brengen. Sinds het begin van de pandemie post hij op zijn Facebookpagina geregeld updates over het voorspelde verloop.

Tussen 13 en 19 oktober kwamen er elke dag gemiddeld 267 nieuwe patiënten bij in de ziekenhuizen. Dat is bijna een verdubbeling (+95 procent) in vergelijking met de week ervoor (5-12 oktober). Momenteel liggen er 2.774 COVID-patiënten in het ziekenhuis, onder wie 446 patiënten op intensieve zorg.

Volgens viroloog Steven Van Gucht van Sciensano overschrijden we eind deze week de grens van 500 patiënten op intensieve zorg. Zonder maatregelen zouden er midden november 2.000 COVID-patiënten op intensieve zorg liggen. En dat is de maximale capaciteit aan bedden op intensieve zorg in ons land.

"Waar je in het begin een verdubbeling zag om de 14 tot 15 dagen, is dat nu een verdubbeling om de 8 dagen. Maatregelen zijn dus nodig om te vermijden dat de situatie niet helemaal doorschiet", zegt Barbé. "Je zou rond 15 november inderdaad een verzadiging zou kunnen krijgen, maar dat is het pessimistische model."

"Het is slechts een mógelijk pad. Maar: ons gedrag en maatregelen hebben een grote impact op het verloop van de curves. Het is ons al twee keer gelukt om die om te buigen, een eerste keer in maart en een tweede keer in de zomer. Er is geen reden om te denken dat we dit nu niet kunnen veranderen."

"Kentering kan je rond 1 november beginnen te zien"

Barbé wil dan ook niet defaitistisch zijn. "In die modellen zitten ook what else en what if-scenario's. Welke andere mogelijke paden zijn er nog en welke paden zijn er als we iets veranderen? Er zijn nu nieuwe maatregelen, voor we het effect op de hospitalisaties kunnen zien, moeten we 10 tot 14 dagen wachten. Vanaf dan kan je een buigpunt beginnen op te merken in de cijfers."

"Tussen 25-26 oktober en 1 november verwacht ik een kentering te kunnen beginnen zien", zegt Barbé. "De demping kan zich vanaf dan inzetten. Na die demping kunnen de cijfers nog wel doorgroeien, maar elke dag wat zachter. Het is afwachten of die exponentiële groei dan breekt. En dan kan je op een plateau terechtkomen."

Wat er exact na die piek gebeurt, is volgens Barbé nog niet duidelijk te voorspellen. "Er zijn modellen die zeggen dat de groei wat langer aanhoudt, anderen zeggen dat de groei sneller daalt. Maar dat is veel verder in de toekomst. En daarvoor moeten we eerst meten."

"Er kunnen nog stappen gezet worden in bronopsporing"

De restaurants en cafés moesten gisteren de deur sluiten voor een periode van vier weken. Niet iedereen was daar even blij mee, omdat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de grote bron van besmettingen in de cafés en de restaurants ligt. Is die maatregel dan wel efficiënt?

"Welke maatregelen het meest effect hebben, is moeilijk te zeggen", zegt Barbé. "We weten niet precies waar de bronnen zich allemaal bevinden. Je kan besmettingen niet toewijzen aan één specifieke bron, je kan menselijke contacten niet specifiëren tot één plek. De maatregelen zijn erop gericht om het contact te minimaliseren. Men heeft ergens een keuze gemaakt waar men denkt dat er het meest effect in gerealiseerd kan worden."

We weten niet precies waar de bronnen zich allemaal bevinden. Je kan besmettingen niet toewijzen aan één specifieke bron, menselijke contacten niet specifiëren tot één plek.

"Het Agentschap Zorg en Gezondheid rapporteert op basis van de bronopsporing. Als ze naar de bron van besmetting vragen, komen ze in 4,13 procent van de gevallen terecht in de horeca. Als zij dan vragen waar mensen in hun besmettelijke periode geweest zijn, geeft een derde aan dat ze nog horeca bezocht hebben. Dus die cijfers zijn er. Maar wat bronopsporing betreft, moet die op een grotere steekproef gebeuren."

"Interessant om exacter te weten waar de bronnen zijn"

Barbé vindt dat er nog stappen kunnen worden gezet om de bronopsporing te verbeteren. "Wij maken grove modellen op. Dan baseer je je op beschikbare cijfers, de besmettingen, maar ook de ziekenhuisopnames. Je gaat die dan vergelijken met natuurlijke ziekteprocessen om een realistische inschatting te maken."

"Wil je fijnmaziger werken, simuleren welke maatregelen welk effect hebben, dan moet je veronderstellingen maken over menselijke contacten en waar ze voorkomen. Dan zou het interessant zijn om om exacter te weten wat de bronnen zijn. Op sommige plaatsen gaat dat goed, op andere minder. Daar zouden nog meer stappen kunnen gezet worden om dat verbeteren."

Beluister het gesprek met Kurt Barbé via Radio 1 Select (Je hoort er de meest recente fragmenten van Radio 1)

Bron: vrtnws.be en 'De Ochtend'

Lees ook:

Radio 1 Select