"Tijd is ons hoogste goed geworden dat onder geen beding verspild mag worden"

14 februari 2021
Annemie Struyf is journaliste, schrijfster en reportagemaker, o.a. van ‘Het hoge noorden’, dat nu loopt op Eén. In dat programma volgt ze Vlamingen die in Noorwegen een nieuw leven zijn begonnen. Annemie zelf is ook een nieuw leven begonnen. Niet in Noorwegen. Wel in Belgie. En wel op haar zestigste.

Eerst dacht ik erover te zwijgen, die verdomde datum stilletjes voorbij te laten gaan.

Ik kan het niet geloven hoe de jaren gevlogen zijn. Je bent een kind, je wordt groot, een meisje, een vrouw. Je studeert en trouwt en krijgt kinderen. Vier op een rij, en daarna nog eentje, geadopteerd. Je draait je hoofd éven naar de andere kant en kijk, je hebt zestig jaar geleefd.

“60 is het nieuwe 40,” meldt een goeie vriend, “dan komt een mens op kruissnelheid.”
Dat beaam ik graag, misschien net iets té enthousiast.

“Tel niet de jaren, maar de mooie dagen die dit jaar zullen kleuren,” schrijft een vriendin. En gelijk heeft ze, want sinds die onvergetelijke novemberdag, drie maanden geleden, leef ik op een roze wólk.

Mijn dochter - dat kleine meisje, mijn derde kind, de zachte, de gevoelige – kwam me vertellen dat ze een kind verwacht.

Bijna drie jaar zijn we samen, nog altijd zielsgelukkig met elkaar.

Mijn lief heeft me een schemerlamp gegeven, de schat. Zorgvuldig uitgekozen op maat van mijn huis. ‘s Avond zitten we in dat zachte licht. Bijna drie jaar zijn we samen, nog altijd zielsgelukkig met elkaar. Op 60 kijk je helemaal anders naar zo’n nieuwe start.

Behoedzamer dan 40 jaar geleden. Voorzichter ook dan vroeger, toen we nog dachten dat het leven eindeloos was. Toen we nog kwistig omsprongen met de tijd. Toen we nog dagen of weken verkwanselden. Toen een zomer nog lang leek en een jaar eindeloos.

Tijd is ons hoogste goed geworden dat onder geen beding verspild mag worden.

Toen overleden geliefden nog leefden. Toen we nog onwetend waren van onheil dat ons later zou overkomen. Nu pas zijn we oud genoeg om te beseffen dat elke dag een dag is en elk jaar een jaar. En dat een dag nooit meer terug zal komen. Tijd is ons hoogste goed geworden dat onder geen beding verspild mag worden. De lentes en de zomers die ons resten zijn telbaar geworden. Al wil ik hun getal niet kennen.

Maar samen met hem hoop ik op nog vele lentes en zomers. En winters ook. Want ik hou van de winter, samen in de zetel, met een boek en een leeslamp. Zoals deze avond. In mijn huis deze keer. Al drie jaar pendelen we tussen zijn plek en de mijne. Zijn leven en het mijne. Zijn verleden en het mijne.

Soms vinden we dat ideaal. Dat we elk onze plek hebben waar we onze kinderen een thuis kunnen geven, en het verlangen naar elkaar levend kunnen houden. Soms zijn we dat pendelen beu. Dan dromen we van een plek, waar we nog één keer helemaal opnieuw kunnen beginnen. Waar we samen de voordeur kunnen openduwen.

Want een dag later is het beslist. Dat huis wordt ons huis.

Bij het licht van zijn lamp in mijn huis leest hij een boek; ik kijk even op een immosite.
Terloops, zo doe ik dat af en toe. En plots verschijnt een huis, een plek zoals in mijn dromen; “Rijden we daar morgen eens langs?” fluister ik hem toe. En dat ene zinnetje verandert de loop van onze levens.

Want een dag later is het beslist. Dat huis wordt ons huis.

Beluister de column van Annemie Struyf via Radio 1 Select

Ontdek ook de andere columns uit de uitzending: