"Toen de epidurale plots niet meer werkte, voelde ik jouw afwezigheid nog het meest"

4 april 2021
© Radio 1
Maartje Van Neygen is zangeres en lerares. Zij vertelt in haar column voor 'De toestand is hopeloos, maar niet ernstig' over haar kleine ruimtevaarder, die te vroeg in de wereld kwam.

Ruimtevaarder

Ze reden me door de ziekenhuisgangen, die zich langzaam voor me uittekenden als een eindeloos labyrint. Jij liep achter ze: haastig. Ik wou je toen vragen om broodkruimels te strooien door de gangen. Je gaf een kneepje in mijn schouder, alsof je me zo zei dat je de weg wel zou weten te vinden en je er naast mij zou zijn om mij die te wijzen.

We gingen een lift in. Jij, ik en de verpleegster van recovery. Dat was best puzzelen. Ik lag nog in mijn ziekenhuisbed.

Je lag op afdeling A, vertelden ze ons aan het onthaal. Hoe eerder in het alfabet, hoe ernstiger de toestand. Maar we moesten ons geen zorgen maken, drukten ze ons op het hart. Ieder prematuurtje start op de eerste afdeling. Ik vroeg me af of ik je zou herkennen. En jij mij. Je leefde zeven maanden in mijn buik en ik kende je hikjes en je schopjes. Je gezichtje zag ik voor het eerst door een plastic scherm. Je huilde meteen. Je ademde. Je longetjes deden het.

Ze legden je heel even op mijn borstkas. Senne huilde en ik ook. Ik wou je vasthouden, maar ik kon mijn armen niet bewegen. Er viel een traan op je tere lijfje. Ik weet niet of het de mijne was. Ze namen je mee naar een andere kamer voor onderzoeken en Senne mocht mee. Ik probeerde door het raampje te kijken en een glimp op te vangen. Toen de epidurale plots niet meer werkte, voelde ik jouw afwezigheid nog het meest.

“Hoe heet hij?” vroegen ze.
“Artie.”
Toen werd alles zwart.

Ik weet niet of er uren voorbijgingen of slechts minuten. Tijd was onbestaand in het UZ Gent, die dag.

We reden de afdeling binnen. Geen daglicht, enkel pinkende lichtjes en monitors. Een klein lijfje, kleiner dan Sennes hand op mijn schouder lag aan mijn linkerkant. Ik keek Senne aan. Ik dacht aan de ouders van het kleinste kindje dat ik ooit zag. Hij ook.

Plots wist ik heel zeker dat ik je zou herkennen en nog voor het rammelende bed tot stilstand kwam, deed mijn hart het al. Daar was je dan. Zo klein en zo groot tegelijk. Je hing onder de draadjes en elektrodes. Op je hoofd droeg je net een helmpje. Alsof je net terug was van een ruimtereis en in je enthousiasme je helm was vergeten af te zetten. Alsof je niet kon wachten om ons al je avonturen te vertellen, om samen met ons nog avonturen te beleven.

Je keek ons aan. Met jou in onze armen begon de tijd ineens terug te tikken, net zoals vanouds. Alleen zou niets zijn zoals vanouds. Nu hadden we er een ruimtevaarder bij.

Beluister de column van Maartje Van Neygen voor 'De toestand is hopeloos, maar niet ernstig' via Radio 1 Select.

Ontdek ook de andere columns uit deze uitzending: