"Toeristen in Brugge zien al het schoons niet."

28 juni 2019
Jean Blaute woont in Brugge en daar durf je al eens een toerist tegen te komen. Maar die mensenmassa loopt volgens Jean Blaute al het schoons voorbij. Lees, of beluister, zijn middagjournaal hieronder.

Ik woon in Brugge en werk in de Mechelse deelgemeente Leest, in mijn bescheiden hippiefermetje met een schandalig lage Mobiscore .Ver genoeg van de buren verwijderd om ’s nachts muziek te kunnen maken, beschermd door diezelfde lieve buren, die graag een sociaal oogje in het zeil houden als ik er niet ben. Burgemeester Somers is wat verder in de straat mijn beroemdste buurman, in het aanpalende Hombeek zijn er winkels, scholen, banken en apothekers en dat geldt ook voor het nabije swingende Kapelle-op-den-Bos (bekend om zijn asbestkweek), waar treinen en bussen stoppen en vertrekken. Een station dus. Wie bij ons aanklopt wordt altijd vriendelijk begroet, geholpen en met de beste wensen verder op pad gestuurd, vooral de Jehova’s. Maar hier mijn waarschuwing: de eerste de beste groene kikker die mij hier ooit de les komt spellen over mijn gebuisde Mobiscore mag zich verwachten aan een ouderwetse boerse “VAN MIJN ERF”. Voilà, dat lucht op. Leve Mechelen.

En dan is er Brugge. Ik heb er leren van houden. We wonen dan ook in een bescheiden comfortabel appartement net buiten het centrum, bushalte op tien stappen. Ik heb een buskaart voor 65-plussers. Op de Gistelse Steenweg hoef je niets tekort te komen qua spijs, drank en voetbal. Da’s oké voor een ouwe pee. Brugge is natuurijk wereldberoemd om zijn rijke verleden, zijn Bourgondische uitstraling en zijn unieke prachtige musea waar het massatoerisme geen oog voor heeft. Ilja Pfeijffer beschrijft in zijn laatste roman heel raak dat Europa enkel verleden is en dat ons verleden tegelijk de winkel is van het oude continent. Teveel verleden om nog toekomst te hebben. Hij heeft een punt, maar het massatoerisme waar Brugge dagelijks onder kreunt, heeft belachelijk weinig oog voor dat zowel mystieke als decadente verleden, ze slenteren verdwaasd van bierwinkel naar chocoladewinkel en dan naar de volgende wafelenbak, staan in lange rijen aan te schuiven voor een overbevolkt boottochtje en lopen al het échte moois voorbij omdat hun tijd beperkt is en ze denken dat de Vlaamse Primitieven een gevaarlijke oude bloeddorstige volksstam is waar je best geen contact mee zoekt op je reis in het middeleeuwse Vlaanderen. Als inwoner van Bruhhe krijg ik op vertoon van mijn ID-kaart gratis entrée in de musea, ik maak daar gulzig gebruik van. Misbruik zelfs, ik kan amper het Oud Sint Jans hospitaal of het Groeningemuseum voorbij lopen zonder er nog maar eens binnen te wippen om mij te laten verbazen en charmeren door de weelde van het grootse Brugse verleden. Soms twijfel ik even ik uit vrees voor de drukte omdat ik in de straatjes, op de Markt, aan Den Dijver, het Minnewater een miljoen massatoeristen zie en denk, “ sebiet stappen die allemaal het Heilig Bloedmuseum binnen,” maar neen: daar is geen kat, ik ben er quasi alleen. Comfortabel jawel, triest ook. In Zeebrugge wordt momenteel een aanleghaven voor cruiseschepen gebouwd. Say no more.

Oeps, trouwe luisteraar : hoe eindigde nu onze tweede huwelijksreis ? In Dijon natuurlijk. In juni nog gespaard van debiel massatoerisme en genoten van de Bourgondische geuren en kleuren, verleden én heden. Le Palais des Ducs is een must see, met dank aan Bart Van Loo. En met dank dat ik deze week Uw dienaar mocht zijn.

Radio 1 Select