Waarom biechten we zo moeilijk op met wie we contact hadden tijdens de lockdown?

26 mei 2020
De contactopsporing, om zo snel mogelijk het aantal coronabesmettingen in kaart te brengen en te reduceren, blijft stroef lopen. Een gebrekkige informatiestroom en de schroom van de mensen die gebeld worden om persoonlijke info op te biechten, zijn belangrijke oorzaken. Maar waarom vinden we het zo moeilijk om open te zijn over de contacten die we hadden tijdens de lockdown? 'De Wereld van Sofie' vroeg het aan Koen Lowet, voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen.

Er spelen verschillende factoren volgens Koen Lowet. We wegen af in ons hoofd wat de gevolgen zullen zijn als we risicovolle contacten opbiechten. Wat levert mij dat op: nadelen of voordelen? Bezorg ik de ander geen last, als ik zijn naam doorgeef? Stel dat hij twee weken in thuisisolatie moet als hij ook positief test. Krijg ik dan geen verwijten? Ook is de zin van het opbiechten niet meer zo duidelijk nu we het ergste van de pandemie achter de rug hebben. Ook al omdat de overheid weinig heeft gecommuniceerd over de contactopsporing. Er waren geen spotjes zoals bij de maatregelen rond het handen wassen en social distancing.

"Onze privacy wordt bedreigd"

Voor veel mensen is zo’n telefoontje ook net de druppel teveel. Het dringt te hard binnen in de privésfeer. In het begin van de lockdown stond iedereen achter de maatregelen. Iedereen besefte dat er een ernstige crisis was. De horrorbeelden uit Italië en Spanje boezemden ons angst in. Er was veel burgerzin, we voelden ons collectief verantwoordelijk om de maatregelen niet te laten falen. Nu is het een goednieuwsshow. En ook al blijft de overheid zeggen hoe belangrijk het is om de maatregelen vol te houden, we voelen die externe motivatoren niet meer. Ook de motivatiebarometer, het wekelijkse motivatieonderzoek van sociaal psycholoog Maarten Vansteenkiste aan de UGent toont aan dat de motivatie van de mensen afkalft.

Is die schroom om dingen op te biechten niet typisch menselijk?

Zo zit ons gedrag in elkaar inderdaad volgens Lowet. We hechten heel veel waarde aan autonomie en privacy. Vroeger, toen de Kerk nog een belangrijk instituut vormde, was (op)biechten heel normaal. Biechten had een positieve betekenis. Je verliet de biechtstoel met een gevoel van opluchting en zuivering. Nu heeft opbiechten een negatieve bijklank. Het delen van persoonlijke informatie met een vreemde boezemt angst in. Zeker als niet duidelijk is waarvoor het dient.

Wat moet de overheid doen?

Als je mensen langdurig wil motiveren om een bepaalde inspanning vol te houden, willen mensen daar een zekere autonomie in hebben. Psychologen vragen al een hele tijd aan de overheid om een sociaal contract aan te gaan met de bevolking. Om mensen verantwoordelijkheid en inspraak te geven. In Duitsland wordt daar al mee geëxperimenteerd, met succes. Per regio wordt er tot doel gesteld om niet boven een bepaald aantal ziekenhuisopnames te gaan. Als dat lukt, versoepelen de maatregelen. De overheid geeft heel duidelijk aan wat mensen kunnen doen om dat doel te halen. Ze schakelt ook influencers in. Een scoutsleider bijvoorbeeld die zijn leden aanmoedigt: “Als we ons aan de maatregelen houden, kunnen we deze zomer op kamp. Het ligt in jullie handen.” Op gezette tijdstippen geeft de lokale overheid een stand van zaken. Ze moedigt aan en deelt complimenten uit als de resultaten goed zijn.

Hoe kunnen contactopspoorders bij ons meer resultaat boeken?

Het blijft vreemd als een onbekende je aan de telefoon vraagt om persoonlijke informatie door te geven. Dat botst heel erg met je privésfeer. Toch is contact tracing hier niet nieuw, maar het gebeurde nooit op zo’n grote schaal. De tracers volgen een opleiding van anderhalve dag. Misschien moeten ze nog beter opgeleid worden. Om een menselijker gesprek te voeren, mensen te bewegen om mee te werken en meer legitimiteit af te dwingen.

Lees ook:

Radio 1 Select