"Waarom is de cultuurproducent, eerst uitgekreten voor subsidieslurper, nu plots de melkboer die aan huis moet leveren?"

26 april 2020
Eigenlijk had Stefan Hertmans, auteur van het onovertroffen ‘Oorlog en Terpentijn’, geen tijd om een column voor ‘De toestand is hopeloos, maar niet ernstig te schrijven’. Hij werkt een nieuw boek af, en zelfs zonder dat zijn schrijvers overbevraagd deze dagen. Maar de column, die is er ondertussen. En daar zijn we heel blij mee.

Het is een vreemde vaststelling: we zijn cultureel zelden meer op elkaar betrokken geweest dan in deze periode waarin we elkaar niet mogen omhelzen en waarin de culturele sector op apegapen ligt. Elke dag vallen er zo’n drietal uitnodigingen in de mailbox van de kunstenaar of schrijver, om hem of haar te vragen om een steunbetuiging, een kattenbelletje voor een programma, een column voor de krant, een stukje voor het weekblad, een getuigenis, een ingesproken bericht, een ingelezen gedicht, een verhaal over eenzaamheid of samenzijn, een troostende anekdote, een origineel inzicht, een variant op de Decamerone van Boccaccio, een commentaar op het boek De Pest van Albert Camus...

Collega-schrijvers lezen inmiddels op sociale media verhalen voor als waren de eenzamen thuis gefrustreerde kinderen geworden die zonder culturele snoep verhongeren... zou het dan toch zo zijn dat mensen een tegenslag nodig hebben om wat rustiger na te gaan denken over wat werkelijk telt? Waarom is de cultuurproducent, tot voor kort uitgekreten voor een luxueuze subsidieslurper, nu plots de melkboer die aan huis moet leveren? En is de schrijver dan wel het juiste noodnummer om te bellen? Is hij een wondergenezer, een trooster, een gratis variant van de psychanalist, de ideale toogfilosoof of de supercommentator in tijden van symbolische oorlog? Waarom moet hij nu zo dringend iets toevoegen aan de boeken waarover hij jaren heeft gedaan om erin precies te zeggen wat hij wou?

En is het verder wel zo dat nu iedereen plots moet worden gemobiliseerd om de weldadige stilte die over de steden is gevallen zo nodig weer met een eindeloos gemurmel te gaan vullen? Wat is die dwanggedachte waard, wanneer het er vooral blijkt om te gaan dat veel mensen zichzelf geen zinvolle rustpauze kunnen gunnen? Bewijzen we elkaar wel een dienst door onophoudelijk voor afleiding en verstrooiing te zorgen, alsof de stilte ons zou kunnen wurgen? Is het niet net de stilte die ons even wat langer, en vooral wat dieper, zou moeten kunnen laten nadenken over het leven dat we zo hectisch aan het leiden zijn?

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb het grootste begrip voor de psychische problemen van eenzame mensen, ik voel solidaire bezorgdheid voor hen die geen bewegingsvrijheid hebben en niet het geluk hebben over een lapje groen, een terras of balkon te beschikken, voor minnaars met huidhonger, voor hen die nu financieel in ademnood komen, voor hen die nooit de mogelijkheid hadden om zich de troost van wat cultuur te kunnen permitteren omdat men hen niet geleerd heeft ermee om te gaan, voor hen die het erg belastend vinden op een beperkte ruimte opgesloten te zitten met drie pubers, met een huilbaby en een man die niets omhanden heeft behalve voor het scherm te hangen en te vroeg aan de gezellige fles te gaan; maar veel van onze problemen – zeker voor hen die geen andere problemen hebben dan dat ze zich vervelen en ernaar verlangen weer zo snel mogelijk opnieuw onnadenkend te kunnen gaan leven – veel van de problemen in deze crisissituatie hebben te maken met angst voor onszelf, voor de blik in de spiegel.

Dat ben jij, Tat tvam asi, zoals het in het oude Sanskriet heet, is voor veel mensen blijkbaar een schrikbeeld op zich geworden. Het legt een veel diepere crisis onder de crisis bloot: wij, die al enkele generaties zo fel voorstander zijn van onze totale onafhankelijkheid, van onze autonomie, ons zelfbeschikkingsrecht, ons recht op doen en laten wat we willen: ach, wanneer we nu eindelijk eens tot onszelf mogen en moeten komen, wanneer van ons wordt gevraagd om nu eindelijk inderdaad even op onszelf te letten – wij schreeuwen als een verwend kind om afhankelijkheid, om verstrooiing, om eender wat, als we maar niet al te lang met onszelf alleen moeten zijn.

Dat legt een eigenaardige contradictie bloot: onze drang naar onafhankelijkheid is pure schijn. Onze onafhankelijkheidsdrang blijkt vooral een verlangen om niet met onszelf te worden geconfronteerd. We willen eigenlijk helemaal niet onafhankelijk zijn – we willen van elkaar afhangen, bij elkaar horen. Op zich is dat erg mooi, maar het heeft een keerzijde. Nu onze vrijheid wordt ingeperkt, blijken we geen innerlijke vrijheid te bezitten. We zien vrijheid blijkbaar vooral als de drang om niet na te hoeven denken, niet met onszelf geconfronteerd te worden. Tat tvam asi – dat ben jij, daar zit je, met de gebakken peer die je voor jezelf geworden bent. Ken jezelf, zegden de oude Grieken, daarmee bedoelend dat we onszelf het minst van al kennen. Ik is een ander, schreef Arthur Rimbaud. Hij staart je aan in de spiegel in de hal, net wanneer je voor de zoveelste keer een korte wandeling uit verveling wilt gaan maken. Narcissus is radeloos geworden, hij herkent zichzelf niet meer.

De vraag is of de veelgeplaagde schrijver iets kan verhelpen aan dit tekort in de mens zelf – de schrijver die het altijd al van die vaak pijnlijke afzondering heeft moeten hebben, en die dus niet bepaald veel ziet veranderen nu hij verplicht moet ophokken; hij of zij heeft altijd al zo geleefd.

Of misschien kan hij toch iets betekenen ja, hij kan zijn medemens geruststellen dat je niet dood gaat van dagelijks een uur door het raam staren, dat je dan hoogstwaarschijnlijk in je verstrooidheid op een inzicht komt dat je tevoren nooit had vermoed, en dat, als het een beetje mee zit, erg waardevol kan blijken voor je omgang met de anderen en dus je eigen leven beter kan maken.

Nog de generatie van mijn grootouders zat een hele zomer gewoon voor de deur naar de straat te kijken, naar de zwaluwen in de lucht. Ze vonden er rust in. Dat wachten en uitstellen een kunst op zich zijn, en dat louter met je kind bezig zijn, met je onmiddellijke omgeving, met het zorgzamer omgaan met je voeding, met iets bedachtzamer voor je raam gaan zitten dan je gewoonlijk doet, met het lezen van een lang geleden gekocht boek dat nog ongelezen op het schapje staat - dat dit alles een stijloefening kan zijn, een vorm van afkicken, een ontwenning van het onophoudelijk gemobiliseerd worden, het voortdurend moeten meedoen, het steeds weer meningen, visies en standpunten te moeten hebben. Je bent vrij in je gevangenschap. Je kunt loskoppelen voor een reset. Grijp die kans, voor je het weet is het zo voorbij en besef je in de herbegonnen ratrace dat je niets hebt bijgeleerd. Ik zeg niet dat het makkelijk is. Maar zinvol is het wel. Tat tvam asi.

Stefan Hertmans

Beluister de column van Stefan Hertmans voor 'De toestand is hopeloos, maar niet ernstig':

Lees ook:

Radio 1 Select