Waarom kansarme leerlingen sneller een B-attest krijgen

5 februari 2018
Kansarme leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond krijgen op school sneller een B-attest dan kinderen met gegoede ouders, ook al behalen ze dezelfde cijfers. Dat blijkt uit een studie van 2 universiteiten in opdracht van gelijkekansencentrum Unia. Door die B-attesten belanden kansarme leerlingen vaker in richtingen die hen minder goed voorbereiden op hoger onderwijs. Hoe kan dat? En wat valt eraan te doen?

Aan het laatste rapport van een schooljaar is altijd een attest verbonden, met als doel een leerling verder te begeleiden in zijn of haar schoolcarrière. Bij een A-attest mag een leerling gewoon naar het volgende jaar, in dezelfde studierichting. Bij een C-attest moet hij of zij het jaar overdoen, al dan niet in dezelfde studierichting. Een B-attest hangt daar wat tussenin: de leerling mag wel naar het volgende studiejaar, maar mag bepaalde studierichtingen niet meer volgen (tenzij hij of zij er toch voor opteert om te blijven zitten).

“Uit ons onderzoek blijkt dat leerlingen van een lagere sociaaleconomische herkomst, of van een vreemde herkomst, bij twijfelgevallen vaker een B-attest zullen krijgen”, vertelt onderzoeker Steven Groenez van het Leuvense onderzoeksinstituut HIVA. “Leerlingen met dezelfde punten, maar van een hogere sociaaleconomische herkomst of van een Belgische herkomst krijgen in die twijfelgevallen vaker een A- of C-attest.”

Een voorbeeld uit de studie, waarbij de twijfel over een B- of C-attest ging, toont dat goed aan:

"We zien daar een wat stereotiepe beeldvorming naar voren komen”, legt Groenez uit. “De redenering is dan dat in het verleden leerlingen van lagere sociaaleconomische herkomst met zulke resultaten ook vaak een B-attest kregen. Leerlingen met dezelfde punten van een hogere sociaaleconomische herkomst krijgen dan bijvoorbeeld net wel het advies om nog een jaartje te blijven zitten.”

De argumenten die leerkrachten dan gebruiken, wijzen onder andere naar een gebrek aan ouderlijke ondersteuning van de kinderen of over de beheersing van het Nederlands. “Wanneer leerlingen van hogere sociaaleconomische komaf slechte punten halen, wordt bijvoorbeeld vaker gesproken van een eenmalig falen.”

En dat is ook begrijpelijk, zegt Groenez. “Dat is afkomstig uit de jarenlange onderwijspraktijk: er is een relatie tussen lagere prestaties van leerlingen en hun sociaaleconomische herkomst. Maar die relatie die je algemeen gemiddeld kan vinden in een populatie mag je niet automatisch op een specifiek leerlingengeval kleven.” Dat gebeurt volgens het onderzoek vandaag nog te vaak.

Meer op vrtnws.be