"Wanneer een van onze voetstukhelden naar beneden tuimelt, valt ook onze spiegel aan diggelen"

17 januari 2021
Bieke Purnelle is journaliste en columniste, Voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' schrijft ze, naar aanleiding van de gebeurtenissen rond Bart de Pauw, over voetstukhelden die naar beneden tuimelen. En wat dat bij ons teweeg brengt.

Toen ik in de middelbare school zat was er een leraar die ik leuk vond. Hij was bovengemiddeld aardig en attent, een zeldzaamheid bij leraren in die tijd.
Ooit noemde iemand de leraar een kwal. Die iemand had daar goede redenen voor, die nu even niet terzake doen, maar naar die redenen had ik geen oren.
Ik voelde me plaatsvervangend beledigd en negeerde de opmerking om het wankele voetstuk waarop de leraar stond overeind te houden.

Wij zetten graag mensen op een voetstuk. Omhoog kijken biedt een fraaier uitzicht

Wij zetten graag mensen op een voetstuk. Omhoog kijken biedt een fraaier uitzicht. Naar beneden kijken is voor narcisten. Ooit hopen we zelf op zo’n voetstuk te staan, stevig en onwankelbaar. Tot het zover is spiegelen we ons aan wie al zo hoog kon klimmen.

Wanneer een van onze voetstukhelden naar beneden tuimelt, valt niet alleen onze bewondering, maar ook onze spiegel aan diggelen. Wat we daar dachten te zien blijkt niet meer te bestaan. Erger nog: het heeft nooit bestaan. Het was een leugen. Wij waren blind, of dwaas. Onze bewondering en sympathie zijn verspild, als regenwater in de riool.
De briljante, getalenteerde, aardige, grappige held is een akelig figuur geworden, van het soort dat je enkel in fictie wilt ontmoeten.

Bij elke onstuitbaar vallende held zie ik dezelfde brokken. Niemand wil een held zien vallen.

Bij elke onstuitbaar vallende held zie ik dezelfde brokken. Niemand wil een held zien vallen. Niemand wil z’n spiegel zien barsten. Niemand wil z’n herinneringen en idealen zien openspatten als overrijpe tomaten van de struik. Niemand wil z’n eigen blindheid onder ogen zien. Dus spartelen we als vissen op het zand die doen alsof ze zwemmen, ook al is het water al lang opgedroogd.

Telkens ik de doffe plof hoor van zo’n vallende held denk ik terug aan de leraar, en aan mezelf als weerspannig spartelende vis; te jong om het begrip “cognitieve dissonantie” te kennen, laat staan te begrijpen.

De cognitieve dissonantietheorie van Festinger stelt dat mensen consistentie zoeken tussen hun overtuigingen en de realiteit van de wereld om mentaal te kunnen functioneren. Wie wrijving ervaart tussen ideaal en realiteit voelt ongemak. Dissonante tonen zijn onaangenaam en verstoren de harmonie.

Er bestaan maar twee effectieve behandelingen tegen het symptomatische ongemak van cognitieve dissonantie. Allebei vereisen ze een duidelijke keuze: kies je voor het ideaal of voor de realiteit? Hou je de droom en de overtuiging krampachtig overeind, tegen elke prijs? Of laat je het ideaalbeeld varen omdat de ongemakkelijke waarheid daarom vraagt? Het eerste vraagt om een blinde loyaliteit die ik niet te geef heb en vurig wantrouw. Mij rest enkel de tweede optie: de werkelijkheid, in al haar scheeuwerige lelijkheid. In de hoop dat ze completer wordt wanneer we de schandvlekken aanwijzen.

In mijn geheugen ligt een hoog omheinde ruimte vol brokken van lege voetstukken. De naambordjes blinken al lang niet meer. Kevin Spacy, Roman Polanski, Jan Fabre, Bart De Pauw, naast een resem minder ronkende namen. Helden van weleer; herleid tot wat ze altijd al waren. Om te zien wie voor je staat, moeten voetstukken wankelen, spiegels sneuvelen, helden feilbare mensen worden.

Beluister de column van Bieke Purnelle:

Ontdek ook de andere columns uit de uitzending: