"Wat onherstelbaar kapot leek, viel blijkbaar toch te repareren"

16 augustus 2020
Toen Remco Evenepoel viel, had onze columniste Bieke Purnelle haar held van de week al gekozen. Toeval of niet: ook hij was eerder zwaar gevallen. De tragiek, de heroïek, nergens ligt het zo dicht bij mekaar als in een wielerpeloton.

Wat waren het dorre tijden, dor als een strobaal, dor zoals het gras vroeger alleen in augustus werd, maar tegenwoordig al in juni. Niets viel er te beleven. Geen hoge, noch lage cultuur, geen verre exotiek, geen uit de hand gelopen feestjes, geen nachtelijke cafégesprekken, geen droefgeestig terugblikken op een bewogen Tour de France vanop de glibberige bodem van het zwarte gat. Wat keek ik ernaar uit ergens naar uit te kijken, maar ik durfde niet. Hoe vuriger het verlangen, hoe harder de klap als het verlangen wordt platgemept. Het waren tijden waarin je maar beter nergens naar uitkeek, omdat smachten instant werd bestraft.

Toch telde ik de blokjes in mijn agenda die mij scheidden van de eerste zaterdag van augustus. Daar, in een voorts blanco vakje, stonden de ronkende woorden 'Strade Bianche'. Zelden had ik zo uitgekeken naar een peloton, een landschap, een vlucht, het kunstige verkavelingsvlaams van José, en bovenal de mooiste finish van de wereld: de Piazza del Campo.

Die ochtend werd ik wakker als een kind op haar verjaardag, met roffelend hart en onbeheersbare huppelneigingen. De zon brandde al in Siena, even ongenadig als de Toscaanse wegen die trillend lagen te wachten. "Stel je voor dat Wout wint", zei ik tegen een koersonverschillig kind. "Stel je voor". "Wout, is dat die renner met zijn kapotte been?" vroeg het kind harteloos. Kinderen nemen nooit omwegen, maar gaan meteen richting essentie.

Een paar uur later zaten wij voor de tv, even zenuwachtig als gelukkig. Want stel je voor. Want tja dat been. En weet je nog die keer toen hij omver zwalpte. Renners vielen af als muggen tegen een muggenlamp; een siddering en over. Zelfs de dapperste wielertoerist prees zich gelukkig dat hij in z’n zetel zat in plaats van zwetend op zo’n ellendig grindpad, met stof en stenen tussen z’n tanden.

Op 12 kilometer van de meet was driekwart van het peloton gesneuveld en reed Wout weg, gebetonneerd op zijn azuurblauwe Bianchifiets. Er sloop een tremolo in de stem van Renaat. We hoorden José schuifelen. 9 seconden. 10 seconden. 14 seconden. Ik ijsbeerde slijtplekken in het parket en at drie vingernagels op. Het koersonverschillige kind maande mij aan tot kalmte. Alsof daar tijd voor was. Alsof het gepast was kalm te blijven.

Toen Wout die laatste steile rothelling bedwong voelde ik honderd vochtige nekhaartjes rechtop staan. Want stel je voor. Want tja dat been. Met dat kapotte, maar bijtijds gerepareerde been reed hij het mooiste plein ter wereld op, waar alles op z’n plaats en even later hijzelf viel. Even, heel even, was alles goed zoals het was, en hing er hoop in de lucht. Zelfs wat onherstelbaar kapot leek, viel blijkbaar toch te repareren.

Radio 1 Select