"We hebben klootzakken nodig, al was het maar om onszelf beter te voelen"

24 mei 2020
Een paar maanden geleden las filmregisseur Jan Verheyen 'De meeste mensen deugen' van Rutger Bregman. Dit boek was een beetje een hype, en dat maakte Jan Verheyen wat sceptisch. Maar hij moet toegeven dat het een echte eyeopener was.

Nog niet zo gek lang geleden, een paar maanden hooguit, het voelt wel veel langer aan, als een ander tijdperk bijna, hoe zou dat komen, las ik het boek ‘De meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman. Het was een beetje een hype, toen, wat mij altijd wat sceptisch maakt, omdat ik nu eenmaal dat soort mens ben. Het klonk me ook teveel als een zelfhulpboek, een handleiding voor Gutmenschen, een tienstappenplan voor softies. En zie, een mens moet echt uitkijken met vooroordelen, want ik vond het boek een eyeopener die zijn boude titelstelling – ‘De meeste mensen deugen’ – helemaal waarmaakt, meer zelfs: het bewijst met sluitende, rationele, helder geformuleerde en vaak revelerende voorbeelden.

En toen belandden we met z’n allen in een nieuw tijdperk en dacht ik: hé, interessant, nu kunnen we zien of de theorie van Bregman ook in deze warrige, woelige, hoogst onzekere tijden overeind blijft.

Tot nu toe denk ik van wel, maar weet ik veel, vanuit mijn cocon in het lieflijke, landelijke, van de meeste beschavingsziekten gespaard gebleven gehucht Baliebrugge.

Ik was dan ook blij toen een socioloog een paar dagen geleden officieel op de radio kwam melden dat, jawel, de meeste mensen deugen. 80% om min of meer precies te zijn. De man had daar een studie over gemaakt, en hij wist ook precies wie die 20% was die dan niét deugde. Dat vond ik interessant.

Deels zijn het aso’s, asociale hufters die zich bewust als klootzakken gedragen. U kent ze vast: het zijn het soort mensen die schaamteloos aan uitkeringsfraude doen, hun mottige muziek altijd en overal te luid spelen, onverantwoord rijgedrag vertonen, en in programma’s als ‘De Rechtbank’ en ‘Het Parket’ met blokjeshoofd in beeld verschijnen om door hun vermoeide advocaat nog eens het riedeltje over een moeilijke, liefdeloze jeugd te laten afratelen, wat in de meeste gevallen ook wel zal kloppen, maar wat koop je daarvoor als zo’n missing link je van het zebrapad maait met een een sixpack Cara-pils in zijn systeem.

Een ander deel niet-deugers bestaat volgens het onderzoek uit dommekloten, mensen die het écht niet begrijpen, die niet noodzakelijk van slechte wil zijn, maar gewoon lomp. Ze lezen geen kranten, kijken alleen naar kattenfilmpjes en vallende peuters op YouTube, enfin: ze weten nergens van, en wellicht vinden ze dat prima zo. Ze zijn, zoals de Engelsen dat zo mooi kunnen formuleren, blissfully unaware. Ze stuntelen en stotteren zich door het leven, en het hoogste dat ze kunnen bereiken is dat ze niet te veel in de weg lopen.

Een derde en laatste categorie, en wat mij betreft de meest hatelijke, zijn de betweters. Intellectuelen vaak met een godcomplex, stuurlui aan wal, mensen die denken het allemaal niet alleen béter maar gewoon best te weten, en zich dus verheven voelen boven uiteraard het plebs maar ook boven de bewindvoerders en experten die de regels bepalen waaraan dat plebs zich te houden heeft. Daar doen zij, de door zichzelf uitverkorenen, niet aan mee. Zij bepalen hun eigen regels. De hardnekkigheid waarmee dat gebeurt kan ook beïnvloed worden door hun politieke voorkeur. Als een bewindvoerder van een politieke familie die niet de hunne is een maatregel uitvaardigt, geldt die per definitie niet voor hen. Als zij roken, is de jacht op rokers een hetze, een heksenjacht, een inperking van hun vrijheden, want ze zullen toch zeker zélf wel weten wat goed voor hen is, méér: als iets slecht voor hen zou zijn en ze kiezen ervoor het toch te doen, so what? Zijn ze zelf niet-roker daarentegen, zullen ze mensen die wél roken terechtwijzen, ook op een terras of een festivalweide, en bij voorkeur op luide, scherpe, en denigrerende toon. Op de snelweg is hun devies: wie mij voorbijsteekt, rijdt te snel. Het zijn, kortom, aso’s met pretentie.

20%. Dat lijkt niet veel, maar in concrete cijfers omgezet zijn dat wel 2,3 miljoen Belgen. In de wereld zijn ze met anderhalf miljard.

Dat krijg je dus vanzeleve niet uitgeroeid, maar dat hoeft misschien ook niet, los van het feit dat ik niet zou weten hoe je dat praktisch moet organiseren; zo’n virus laat zich blijkbaar niet sturen.

Want ze zijn natuurlijk ongelooflijk irritant en een levende, ademende, vervuilende illustratie van Sartre’s fameuze en blijkt zeer terechte stelling ‘L’enfer, c’est les autres’, toch zijn ze nuttig.

Ik verklaar me nader: je kan pas weten wat goed is, als je weet wat slecht is. Je kan pas weten wat goed doen is, in contrast met slecht doen.

We hebben klootzakken nodig, al was het maar om onszelf beter te voelen.

Beluister de column van Jan Verheyen voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig':

Lees ook: