"Ze leefden samen, leden samen en hadden allemaal geen rechten"

9 augustus 2021
radio 1
Breendonk is een belangrijk stuk Belgische geschiedenis. Breendonk was eigenlijk bedoeld als doorgangskamp, in de praktijk haalde echter niet iedereen de overdracht naar kampen in het Oosten. "In Breendonk hebben ruwweg vierduizend mensen gevangen gezeten, de helft daarvan heeft de oorlog niet overleefd," vertelt Jos Vander Velpen, advocaat en auteur van "Breendonk. Kroniek van een vergeten kamp" in #weetikveel.

Het kamp was ingedeeld in twee groepen. Enerzijds waren er "de arrestanten die opgesloten zaten in een isoleercel. Dat waren kippenhokken, 2 bij 2 meter. Ze mochten niet werken, maar moesten heel de dag rechtstaan. Je mocht met niemand praten, kon enkel 's morgens naar het toilet en moest op een houten plank slapen," verklaart Vander Velpen. Alsof dat nog niet wreed genoeg was, bevond de martelkamer zich naast de isoleercel zodat de geïsoleerden de marteling konden horen en wisten wat ook hen misschien te wachten stond.

Er is nul komma nul recht. Ze hadden alleen maar recht op honger, op foltering, op mishandeling

De andere groep moest werken. Zij sliepen met 32 tot 48 op vochtige kamers en moesten overdag acht uur werken. "Hun werk was het uitgraven van het fort, een absoluut zinloos project. Het was slavenarbeid,
of je nu ziek was of niet, je moest het werk doen". Wanneer het niet snel genoeg ging, werd er op de gevangenen geklopt. "Veel mensen zijn gewoon geradbraakt," zegt Vander Velpen.

Menselijkheid in onmenselijk situatie

Maar ondanks de vele wreedheden was er plaats voor menselijkheid en groepsgevoel. "De gevangenen beschouwden elkaar als een familie. Er is nul komma nul recht. Ze hadden alleen maar recht op honger, op foltering, op mishandeling. Ze leefden samen, leden samen en hadden allemaal geen rechten. Dat schepte een band. En dat zorgt voor hele mooie verhalen van broederlijkheid, solidariteit en vriendschappen," beschrijft Vander Velpen. Zo moesten de gevangenen kiepkarren met het door hun geschepte puin wegduwen, degenen achteraan de rij kregen het hardst te verduren. "Zij moesten het hardst duwen en kregen ook het meeste slaag. Het gebeurde dat de sterkeren zich opofferden om zo de zwakkeren of ouderen te sparen," sluit Vander Velpen af.

Bekijk ook: