"Zodra de achterdeur openging, drong de geur van een kaasmakerij binnen"

28 februari 2017

Ik heb een selder gekocht. Een mens kan nu eenmaal niet elke dag doldwaze avonturen beleven, zo blijkt. 

Ter verduidelijking: het betreft hier geen witte of groene selder, maar een knolselder. Zo’n ding dat eruit ziet alsof er elk moment een alien uit kan barsten. Een heel exemplaar bovendien, dus geen glazen bokaal met vooraf gesneden stukken.

Ik heb eerlijk gezegd geen idee waarom ik juist die selder gekocht heb. Ik lust helemaal geen selder. Ik weet dat er bepaalde kwatongen zijn die beweren dat je alles kan, ja zelfs moet, leren eten maar ik walg van selder. Dat zit diep en is begonnen toen ik naar de lagere school ging. Een paar keer per week ging ik ’s middags bij de bomma eten, dat was praktisch voor mijn ouders als ze ’s avonds geen tijd hadden om te koken want bij de bomma bestonden simpele boterhammen niet. Daar was het soep, warm eten en dessert of niks. En bij elk van die drie gangen werd er koffie gedronken. Nu ja, koffie is een groot woord. Het was meer een soort lichtbruin getint water waar je de bodem van de tas los door zou kunnen gezien hebben als er niet eerst nog een half flesje van die dikke, beigekleurige koffieroom was ingekapt. Ik drink sindsdien ook geen koffie meer, nota bene.

De bomma beschikte naast over een blik gemalen koffiebonen dat aanzienlijk langer meeging dan normaal ook over een uitgestrekte tuin. In het achterste deel zaten kippen die op regelmatige basis door de bompa soep- of spitklaar werden gemaakt, maar vooraan kweekte ze groenten. Het staat me nog altijd bij hoe enorm die waren. Aardappelen als kasseien, wortelen als tentpalen.

Hun huis stond op een steenworp van een van de grootste chemische fabrieken van het land, achteraf bekeken verklaart dat misschien wel het een en ander. Als de wind een beetje verkeerd stond, rook je die fabriek over heel het dorp, maar dat verzonk in het niets bij de geur die zich van je meester maakte van zodra de achterdeur openging en het aroma van knolselder in witte saus langs elke porie je lijf binnendrong. De geur van zweetvoeten van iemand die al jaren in een kaasmakerij werkt.

Nu nog ga ik bijna over m’n nek als ik eraan terugdenk, mijn eigenste anti-Proust moment. Maar nu sta ik hier, met mijn selder. Geen idee wat ik ermee ga doen. Op de kast zetten, misschien. Om af en toe eens naar te kijken en te denken aan de bomma. Minder onderhoud dan een levende kip, in elk geval.

Radio 1 Select